Aarde bij nacht

Om aandacht te vragen voor lichtvervuiling vinden tijdens de Nacht van de Nacht (24 oktober) allerlei activiteiten plaats. De Gids ging naar de Veluwe, waar in een proef­station het effect van licht op dieren wordt onderzocht.

Op satellietfoto’s leidt het geen twijfel: Nederland is een van de felst verlichte gebieden, niet alleen van Europa, maar van de hele wereld. Een dichtbevolkt, welvarend landje met een uitgebreid wegennet, twee grote havens, een luchthaven en een zee aan kassen. In recent onderzoek naar lichtvervuiling in Nature, waarbij op vijftig plekken in Amerika, Australië en Europa werd gemeten, voerde het Westland de ranglijst aan, in negatieve zin.

Als onderdeel van een grootschalig, vanuit het Nederlands Instituut voor Ecologie (nioo-knaw) en de Universiteit van Wageningen aangestuurd onderzoeksproject om de effecten van licht op flora en fauna te meten, zijn vier jaar geleden op de Veluwe en in Drenthe acht wonderlijke testsites verrezen. Midden in het donkere bos zijn, met een onderlinge afstand van zo’n honderd meter, een viertal rijen met elk vijf lantaarnpalen neergezet. Elke rij geeft een andere kleur licht: rood, groen, wit. Bij de vierde rij lantaarnpalen tenslotte is het donker; die dient als controlegroep.

Een vloek is misschien teveel van het goede, maar dat er een zegen rust op onze afspraak met Kamiel Spoelstra van het nioo-knaw valt moeilijk vol te houden. De eerste keer moeten we afzeggen vanwege noodweer. De tweede keer wordt Spoelstra een paar uur voor de afspraak op de fiets aangereden door een auto. Maar nu, twee dagen later leidt hij mij alsnog rond, ondanks zijn twee gebroken ribben. Hij moet voorzichtig zijn, uitkijken waar hij zijn voeten neerzet, maar het gaat. We bereiken de eerste rij lantaarnpalen. Een sprookjesachtig groen licht.

Lichtvervuiling licht

Vleermuisdetector

‘Als je rood uit licht haalt, wordt het groen, licht met minder blauw erin wordt rood,’ doceert Spoelstra, ‘en we testen dus ook gewoon wit licht. Zo kijken we of licht waarin bepaalde kleuren minder vertegenwoordigd zijn minder negatieve effecten heeft op dieren- en plantensoorten. Uiteindelijk moet dat leiden tot adviezen over waar je een bepaald soort diervriendelijk licht toch nog zou kunnen gebruiken, en waar je licht gewoon moet vermijden. Soms leidt dat tot verrassende resultaten.
We veronderstelden bijvoorbeeld dat muizen minder last zouden hebben van rood licht, want dat kunnen ze minder goed zien. Maar dat blijkt dus niet geval. Ook in het rode licht staken ze hun activiteiten.’

Spoelstra is gespecialiseerd in muizen, maar zijn grote liefde gaat uit naar het vliegende, enge broertje, de vleermuis. Aan een van de lantaarnpalen hangen een paar kastjes. ‘We kijken of vleermuizen zich hier vestigen,’ zegt Spoelstra. ‘We meten de vleermuisactiviteit.’
Hij haalt een apparaatje tevoorschijn dat iets van een voltmeter heeft. Het geeft digitale waarden aan, maakt een suizend geluid, als een radio die ergens tussen twee zenders staat afgesteld. ‘Dit is een vleermuisdetector, dat vangt het hele hoge echolocatiegeluid van vleermuizen op en maakt het hoorbaar voor mensen. Nu geeft het alleen maar geruis, maar als er een vleermuis langskomt hoor je een beetje een tjoepend geluid. Ik vrees dat het al een beetje laat is. Er wordt nog wel gejaagd nu, maar de nachten zijn al erg koud.

Vleermuizen reageren heel verschillend, sommige soorten storen zich minder aan het licht en profiteren er juist van. Wit licht, en groen licht ook wel, trekt insecten aan. Die specifieke soorten vleermuizen maken er handig gebruik van door rond dat licht te gaan jagen. Maar de toename van de nachtelijke verlichting die je wereldwijd ziet, met enkele procenten per jaar, heeft wel gewoon tot effect dat de soorten vleermuizen die juist lichtschuw zijn leefgebied verliezen.’

Rusteloos

Naar het effect van lichtvervuiling en lichthinder op de gezondheid van mensen wordt geregeld onderzoek gedaan. De relatie met hoofdpijn en seksueel disfunctioneren is genoemd. Een door licht verstoord dag-nachtritme zou een carcinogene factor zijn, de relatie met prostaatkanker is gelegd – in een slaapkamer die niet volkomen donker is maak je minder melatonine aan en neemt bij vrouwen de oestrogeenproductie toe, met een vergrote kans op borstkanker tot gevolg. Te veel licht betekent ook een grotere kans op overgewicht – door de verstoring van de biologische klok neemt de vetverbranding af. En dan is er nog de slapeloosheid, de depressiviteit.Hoe zit dat eigenlijk bij dieren? Zijn die stadsdieren dan allemaal depressief?

‘Dat zou zomaar kunnen,’ zegt Spoelstra. ‘Uit onderzoek dat we afgelopen jaar hebben gedaan bleek dat de koolmezen in de buurt van wit licht een verhoogde hoeveelheid van het stresshormoon corticosteron hadden. Tegelijkertijd onderzochten we met piepkleine zendertjes hun activiteit – een automatische ontvanger meet het signaal: verandering in de geluidssterkte betekent dat het dier beweegt. Daar zagen we opnieuw dat die koolmezen in het witte licht de hele nacht rusteloos waren, terwijl de koolmezen in het donker, en ook die in het rode en groene licht, rustig bleven zitten.’

Het onderzoeksproject is volgens Spoelstra om meerdere redenen bijzonder. ‘Er zijn al wel studies die kijken naar het effect van nachtlicht, maar dat betreft meestal studies in reeds verlicht gebied. Dan wordt een vergelijking gemaakt met donker gebied. Maar er kunnen dan al veranderingen zijn opgetreden die je dan niet meer ziet. Je hebt ook te maken met bebouwing en verkeer. Wij meten hier echt om het effect van licht an sich, los van andere menselijke verstoringen. Een tweede bijzonderheid is de lange duur van het onderzoek. Bestaande studies onderzoeken meestal voor een heel korte periode de respons van soorten op licht, maar in werkelijkheid wordt licht ergens voor tientallen jaren neergezet. Ons onderzoek loopt nog een tijd door, maar voor de muizen en vleermuizen zijn er inmiddels al duidelijke resultaten, en hetzelfde geldt voor koolmezen; wat de flora betreft zijn vooralsnog nog geen resultaten te melden, terwijl de meetresultaten van insecten nog veel vragen oproepen. Dat moet de komende jaren verder worden onderzocht.’

Er zijn ook studies waaruit naar voren komt dat de soortenrijkdom in de steden juist toeneemt de laatste jaren, terwijl het in diezelfde 24-uurs-steden steeds langer licht is. Waarom zoeken de dieren die verpeste stad dan toch op?

‘Het is onbenut habitat, dus als je dat als vogel kunt benutten... Kijk naar de stadsduiven, naar de meeuwen. De merels die in de steden broeden komen de merels die in het bos broeden niet eens meer tegen. De laatsten vliegen nog van noord naar zuid, met de seizoenen. Dat doen de stadsmerels niet meer, die hebben het hele jaar door te eten, dus waarom zouden ze? Dat is misschien wel een andere soort aan het worden. Ze nemen het licht voor lief.’
Is dat iets waar je per se tegen zou moeten zijn? Sommige soorten verdwijnen, andere evolueren onder invloed van nieuwe omstandigheden. U wilt dat de mens zijn verlichting aanpast, maar waarom zou je de evolutie niet z’n gang laten gaan?

‘Natuurlijk zullen dieren zich aanpassen, maar de verandering die mensen nu teweegbrengen gaat zo snel dat een heleboel soorten het niet kunnen bijbenen en zullen verdwijnen. Het zou toch zonde zijn als door onze aanwezigheid een groot deel van alle diersoorten zou verdwijnen, terwijl het misschien helemaal niet nodig is.’

Lichtvervuiling licht

Apeldoorn

Je kunt ook redeneren dat die wereldwijde trek naar de stad juist gunstig is voor flora en fauna. Heel jammer voor het leeglopende platteland, maar als alle menselijke activiteit zich concentreert in een enkele metropool hebben de dieren tenminste fijn vrij spel in het donkere achterland.

Het zou best kunnen zijn dat concentratie in steden voordelen heeft voor soorten, denkt Spoelstra, maar probleem is dat de verlichting van die steden enorm uitstraalt op de omgeving. Het licht dat steden omhoog stralen wordt verstrooid aan stofdeeltjes, aan moleculen, en kan zo tot in een straal van tientallen kilometers weer omlaag komen. Veel soorten komen zo door uitbreiding van de steden in de verdrukking.

‘Kijk die oranje gloed daar in de verte,’ zegt Spoelstra, ‘dat is niet van onze lampen, dat is echt van Apeldoorn. Jammer genoeg kunnen we niet even, met een knop, alle lampen uit doen, de lampen van Apeldoorn en Arnhem, en de rest van Nederland en een stuk van Duitsland; dan zou je ineens de Melkweg zien.’

We lopen iets verder, weg van het groene licht, het donker tegemoet. Boven ons een schitterende sterrenhemel. ‘Ik kan niet omhoog kijken,’ zegt Spoelstra, komt door de aanrijding. Tegen zijn gewoonte in heeft hij zijn zaklamp aangedaan. Hij moet oppassen dat hij niet in kuilen stapt. Nu gaat het nog wel, maar vannacht zal hij geen oog dicht doen, van de pijn, want aan het licht zal het niet liggen; in zijn slaapkamer heeft hij verduisteringsgordijnen. ‘Dat kan ik iedereen aanraden.’

Maagdenuil

Wie echt precies wil weten hoe donker het in zijn omgeving is kan dat tegenwoordig met een app gemakkelijk doen. De ‘Dark Sky Meter’ meet de sqm, de lichtwaarde uitgedrukt in magnitude per vierkante boogseconde. De waardes liggen tussen 16 en 23. Het meetresultaat wordt vervolgens gelijk zichtbaar in een live-map op internet waar metingen van over de hele wereld zijn opgenomen. Wat opvalt: nergens wordt zoveel gemeten als in Nederland. Rond Londen is het ook druk, in Moskou, aan de Amerikaanse oostkust. In Kabul richtte een eenling zijn iPhone naar de hemel. De Namibische woestijn blijkt het donkerst: 22.14. In Nederland is 21.72 de hoogst gemeten waarde: natuurreservaat De Boschplaat op Terschelling mag zich daar sinds enige tijd Dark Sky Park noemen, een internationale erkenning dat het er echt donker is. Het heeft te maken met de grote afstand vanaf het Noordzeestrand van Terschelling tot Noorwegen, en met de schone lucht vanuit het noorden die vrijwel geen stofdeeltjes of waterdamp bevat. Daarvan is hier midden in het land natuurlijk geen sprake. Ik richt de camera omhoog. 20.39. Dat is donker, toch, voor Nederland.

Er dook onlangs zelfs een nieuwe soort nachtvlinder op in Nederland, met de prachtige naam Maagdenuil. Hoe kan dat, als het met de lichtvervuiling in Nederland zo slecht is gesteld?

‘Het kan ook zijn dat die soort hier al ongemerkt aanwezig was. De kennis over plant- en diersoorten is enorm gegroeid, we hebben tegenwoordig betere kijkers, beter kaartmateriaal, betere instrumenten. Zo’n vleermuisdetector bestaat nog maar twintig jaar, en dat was destijds nog een prehistorisch apparaat in vergelijking met wat ik nu hier heb. En er wordt heel veel gemeten door particulieren tegenwoordig. De zogeheten citizen science, dat is enorm in opmars. Burgers die zelf dingen gaan meten en die informatie dan doorgeven. Hier op deze plek bijvoorbeeld worden vogels geringd door vrijwilligers van het vogeltrekstation. Zo weten we hoeveel er blijven en hoeveel er weg gaan, en op welke wijze dat samenhangt met de verlichting.’

Kijkdoos

Honderd meter verderop wordt tussen de bomen een rood schijnsel zichtbaar. We lopen erop af. De lantaarns zetten de bomen in een rode gloed. Alsof het bos zich in een kijkdoos bevindt, met van dat doorzichtige rode papier ervoor.

‘Nu hoor ik toch een vleermuis,’ zegt hij. We houden stil. ‘Dat was een balts, een paarroepje, een dwergvleermuis denk ik. Dat kan ik met mijn gewone oren nog wel horen. Even kijken of hij terug wil komen.’ De vleermuisdetector gaat weer aan. ‘Je hoort het heel duidelijk hoor, als ie langskomt.’ Ik hoor niets. ‘Nee, ik hoor nu ook niets meer, maar er was er wel een.’ Hij is gevlucht voor ons? ‘Nee, dat denk ik niet, hij trekt zich niet zoveel aan van mensen.’ Niet van de mensen, wel van het licht dat de mensen brengen? ‘Ja, zo is het.’

Spoelstra haalt zijn mobieltje te voorschijn. In predigitale tijden verbond hij een zaklamp, twee flitsers en een zelf geknutseld infrarood-apparaatje aan zijn camera om de vleermuizen in beeld te kunnen vangen. ‘Kijk, dit is een grootoorvleermuis.’ Op de foto een verschrikt opkijkend diertje, met inderdaad reusachtige oren. ‘Die stuurt de pulsen, de echolocatie, door zijn neus. Je kunt ook zien dat zijn bekje dicht is. Zie je dat? Dankzij die oren weet hij waar zijn prooi zich bevindt. Nachtvlinders trillen om warm genoeg te worden om te kunnen vliegen. Dat signaal hoort hij, vervolgens pakt hij ze gewoon van die bladeren af.’ De foto’s heeft hij gemaakt in een oud verlaten kasteel, in de kelders zat het vol met vleermuizen.

We lopen terug naar zijn auto. Een klagerige roep klinkt. ‘Een edelhert,’ zegt Spoelstra, ‘een doffe blaf, te laag voor een ree.’ We blijven stil, maar het dier meldt zich niet opnieuw. Even later rijden we terug, over een bosweggetje. We passeren een huisje, midden in het niets. Dat kun je huren, zegt hij enthousiast. Ik vraag me af hoe het zou zijn om hier ’s nachts alleen te zijn. Duisternis mag mooi zijn, en gezond voor plant en dier, maar toch, soms zou een mens zomaar naar een beetje licht verlangen.

nachtvandenacht.nl/activiteiten

Luister naar Hans van Wetering en Kamiel Spoelstra wanneer zij 's nachts op pad zijn

De duisternis verliezen