Christiaan Huygens Pendule klok Leiden Museum Boerhaave

Vorige week onderzochten we of de Turkse academische onvrijheid ook invloed heeft op Nederland. Dat zou immers bijzonder jammer zijn, want Nederland staat wereldwijd bekend als een land dat historisch veel betekende voor het belang van het vrije wetenschappelijke denken. De Kennis van Nu onderzocht of we die internationale uitstraling ook nu nog waar kunnen maken.

Ten tijde van de Gouden Eeuw noemde de beroemde Franse filosoof René Descartes onze contreien ‘een toevluchtsoord voor denkers’. De man die uitgerekend met ‘ik denk dus ik ben’ een van de beroemdste filosofische uitspraken op zijn naam heeft staan, was bijzonder gecharmeerd door het intellectuele klimaat dat in de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden heerste.

Descartes’ omschrijving van Nederland kwam niet uit de lucht vallen. In de 17de eeuw waren de belangrijkste steden en universiteiten van Holland de rijkste en meest kosmopolitische van Europa. Dat de Republiek niet actief betrokken was bij de Dertigjarige Oorlog en voor andere religies openstond hielp ook aanzienlijk om vrij te kunnen denken. En het woord ‘toevluchtsoord' mag je ook letterlijk nemen als je weet dat invloedrijke figuren zoals John Locke en Pierre Bayle uit vrees voor hun leven naar Nederland vluchtten en hier hun ideeën verder ontwikkelden.

De beroemde Nederlandse academische vrijheid speelde dus een zeer belangrijk rol in de geschiedenis van de wetenschap en de filosofie. En hoewel het riskant is om zo maar parallellen van het verleden naar het heden te trekken, heeft Nederland omwille van haar geschiedenis bijgevolg een extra argument om haar academische vrijheid hoog in het vaandel te dragen.

‘Mijn universiteit heeft mijn werk altijd gesteund’

Dus hoe gaat het momenteel met deze vrijheid in Nederland? De Koninklijke Nederlandse Academie van Wetenschappen (KNAW) – de overkoepelende organisatie van Nederlandse universiteiten en andere wetenschappelijke onderzoekinstituten – heeft een speciale commissie (de zogenaamde Commissie voor de Vrijheid van Wetenschapsbeoefening) die hier naar kijkt.

En volgens de voorzitter van deze commissie (Leids hoogleraar Internationaal Publiek Recht) Nico Schrijver doet Nederland het uitmuntend. Schrijver: ‘Verhoudingsgewijs hebben Nederlandse onderzoekers een bijzonder grote autonomie en zijn ze vrij in het publiceren van de onderzoeksresultaten, ook als die onwelgevallig zijn voor het bedrijfsleven of de overheid. En hoewel we bijvoorbeeld begin dit jaar nog een oproep aan Turkije deden om de arrestaties van academici te stoppen, hebben wij inzake puur academisch werk geen last van een lange Turkse arm in Nederland.’

Maar daarmee is de kous nog niet af, want ons land kende de afgelopen jaren wél een andere lange arm uit het buitenland, namelijk die uit Eritrea. De hoofdrolspeler in het verhaal was hoogleraar Internationale Verantwoordelijkheid Mirjam van Reisen (Universiteit Tilburg), tot nu toe een van de weinige Nederlandse wetenschappers die systematisch bedreigd werd omwille van haar academisch werk (zie het achtergrondstuk onderaan). Ondanks de akelige gevolgen van deze Eritrese Lange arm is Van Reisen lovend over de Nederlandse academische vrijheid. ‘Dagelijks merk ik hoeveel waarde de universiteiten hieraan besteden. En mijn eigen universiteit heeft me in mijn werk altijd gesteund.’

Bedreigde wetenschappers (in alle stilte) naar Nederland

Promo UAF

Een ander bewijs van de Nederlandse academische vrijheid kan misschien geleverd worden door het UAF, ofwel de Stichting voor Vluchteling-Studenten. Wanneer buitenlandse academici en studenten zich omwille van hun maatschappelijke betrokkenheid in hun land bedreigd worden, dan zorgt het UAF (in samenspraak met het Scholars at Risk-network, een internationaal netwerk van universiteiten en hogescholen) ervoor dat ze in Nederland en België hun academisch werk kunnen afmaken.

Het UAF begeleidt momenteel circa 2.600 vluchtelingen tijdens hun studie en bij het zoeken naar werk. Daarnaast steunt de stichting bedreigde academici binnen het Scholars at Risk-project. Momenteel zijn het er twaalf en zijn ze afkomstig uit Iran, Irak, Syrië, DRC, Eritrea en Rwanda.

En opvallend: het UAF en de betrokken Nederlandse onderzoeksinstellingen zullen ze nooit als ‘bedreigde wetenschapper’ bestempelen, maar wel als 'gastwetenschappers' of 'kennisimmigranten'. Volgens Mardjan Seighali, de directeur van het UAF, is dat een bewuste keuze: ‘Dat doen we om hun veiligheid zo veel mogelijk  te waarborgen en hen in de luwte te laten doen waar ze goed in zijn. Soms komen ze wel op de voorgrond, maar dan enkel omdat dit hun bewuste keuze is. En of het nu wel of niet aan deze maatregelen te wijten is. Wij hebben tot dusver geen last gehad van negatieve buitenlandse invloeden bij onze wetenschappers.’

UAF: ‘Geen rekruteringspool voor wetenschappelijk toptalent’

Er zijn voorbeelden genoeg uit de geschiedenis van regimes die in hun eigen voet schoten door met repressie kennis en jong talent weg te jagen. In Nazi-Duitsland vluchtten vele briljante (joodse) wetenschappers zoals Albert Einstein en Eugene Wigner naar Amerika en hielpen zo de Verenigde Staten mee om de atoombom te ontwikkelen. En na de Hongaarse Opstand maakte Andrew Grove als jonge knaap eveneens de tocht over de grote plas. Ondanks zijn zware Hongaarse accent en slechthorendheid werd hij de man die het gebruik van de microchip (en daarmee de digitale revolutie) wist uit te bouwen bij het bedrijf van Intel.

Je zou dus al snel kunnen denken dat een vluchtelingenorganisatie zoals het UAF in dat opzicht een goede zaak is voor Nederland. Een handige tool om net zoals vroeger de nieuwe John Locke’s binnen te halen. Maar volgens Mardjan Seighali is dit uitdrukkelijk geen doelstelling van het UAF. ‘Hoewel het klopt dat sommige wetenschappers na hun onderzoek zo talentvol blijken dat ze een contract aangeboden krijgen, zijn wij er niet om mensen in Nederland asiel te laten aanvragen. Hun verblijf is tijdelijk tot hun onderzoek afgerond is. Indien ze door de onveiligheid toch niet terug kunnen is het aan de personen zelf om in Nederland een werkvergunning te regelen, ook al is dat niet aan een universiteit. Wat is dan wel het doel van het UAF? Dat we ons land een spiegel voorhouden, dat we het begrip en de solidariteit met elkaar vergroten, en dat we waarden zoals democratie en academische vrijheid meer leren waarderen.’

De KNAW is in principe ook een bijzonder groot voorstander van internationale wetenschappelijke samenwerking, maar weet tegelijkertijd dat er onder het mom hiervan ook andere dingen kunnen gebeuren. Schrijver: 'Een zaak van lang geleden betrof een Pakistaanse spion die in Nederland kennis over uraniumverrijking opdeed. Hij geldt nu als een van de makers van de Pakistaanse kernbommen. Twee jaar geleden brachten we een boekje met tips aan de universiteiten om zulke zaken te voorkomen. Gelukkig zijn dergelijke situaties in het verleden maar uitzonderlijk voorgevallen.’

ACHTERGROND:
Mirjam van Reisen: Bedreigd omwille van academisch onderzoek

Mirjam Van Reisen Tilburg

Hoogleraar Internationale Verantwoordelijkheid Mirjam Van Reisen (Universiteit Tilburg) kwam in de spotlight door haar onderzoek naar de mensenhandel in de Sinaï-woestijn, waarvan veel Eritreeërs het slachtoffer zijn. Latere bevindingen van haar onderzoek ondersteunden ook de beweringen dat juist de militaire machthebbers in Eritrea aan de mensenhandel verdienen, en dat de Eritrese ambassades (ook in Nederland ) hun geëmigreerde landgenoten dwingen tot het afstaan van twee procent van hun salaris. Een andere gewaagde uitspraak van Van Reisen over de invloed van het Eritrese regime in Nederland kwam haar op een rechtszaak te staan wegens laster, maar haar argumenten waren sterk genoeg om vrij gesproken te worden.

Gedurende al die tijd ontving Van Reisen dreigementen, zodanig zelfs dat ze nu nog altijd politiebescherming krijgt. ‘Je moet al snel oppassen met de betekenis van het woord bedreiging,’ nuanceert Van Reisen wel. Het is niet zo dat ik berichten kreeg dat ik het loodje zou gaan leggen of dat mensen me fysiek aanvielen. Wel kreeg ik een stroom van intimiderende tweets en foto’s te verwerken. Mensen zouden me vinden, en ik zou een coup tegen Eritrea beramen. Bepaalde types spraken me aan en liepen dan weg. Ik werd een keer ’s nachts met de auto achtervolgd, enzovoort.’

Van Reisen weet ook zeker dat de intimidatie georganiseerd is. ‘Een analyse van twitterberichten bracht een overzicht in kaart van mensen die systematisch met elkaar in contact staan en die gebonden of loyaal zijn aan het regime. Het zijn overigens niet alleen Nederlandse Eritreeërs. En het is natuurlijk logisch dat dit niet prettig is. Waar sommige situaties eerst onschuldig leken, begin je vaak al snel een soort achterdocht te krijgen en zoek je naar bescherming. En enerzijds speelt bij mij het dilemma om niet te zwichten voor de druk. Anderzijds wil ik geen nieuwe rechtszaak.’

Toch vindt Van Reisen dat zij en andere academici verder moeten kunnen gaan in hun onderzoek. ‘Academisch onderzoek is van grote maatschappelijke waarde. Het kan daar zekerheid bieden waar media en politici het moeilijk hebben om in te schatten wat waar is en wat niet. Ik had bijvoorbeeld nooit gedacht dat ik me in mijn carrière met Eritrea zou bezighouden, maar het is mede dankzij onze resultaten dat de mensenhandel in Sinaï werd aangepakt. ’