Nieuwsbrief

Blijf wekelijks op de hoogte van het beste uit De Kennis van Nu en het laatste nieuws!

MELD JE AAN
371562_original_R_K_B_by_Dieter Sch%C3%BCtz_pixelio

Rekenen: het is niet ieders favoriete vak op school. Mensen met rekenangst hebben er zelfs zo’n hekel aan, dat het pijn doet als ze een som moeten gaan maken. Vooral vrouwen hebben hier last van.

Zweethanden en een snelle hartslag bij het vooruitzicht sommen te moeten maken. Zoveel mogelijk vermijden dat je iets moet uitrekenen. Geen exacte vakken kiezen op school. Bij mensen met rekenangst neemt de hekel aan rekenen extreme vormen aan. ‘We zien dat mensen met een verhoogd rekenangstniveau er bijvoorbeeld vaak op vertrouwen dat rekeningen wel kloppen en hun belastingaangifte door een ander laten doen. Allemaal om rekenen in het dagelijks leven te vermijden,’ zo omschrijft Brenda Jansen deze groep. Jansen is als psycholoog verbonden aan de Universiteit van Amsterdam en deed onderzoek naar rekenangst binnen het Groot Nationaal Onderzoek. Jansen: ‘Volgens de definitie zijn deze gevoelens van angst gericht op toekomstige gebeurtenissen, en staan ze niet in verhouding tot de eigenlijke gebeurtenis.’

In de scanner
Dat zagen twee psychologie-onderzoekers van de universiteiten van Chicago en Ontario (Canada) ook. Ian Lyons en Sian Beilock legden proefpersonen met rekenangst in een fMRI-scanner en bekeken hun hersenactiviteit wanneer zij een som moesten maken. Dit werd vergeleken met mensen zonder rekenangst. De proefpersonen kregen afwisselend rekentaken en taaltaken voorgelegd: bij een taaltaak moesten ze aangeven of een reeks letters achterstevoren een bestaand woord vormde (“yretsym” wordt “mystery”), bij een rekentaak moesten ze aangeven of een som als 3 x 5 – 8 = 7 juist was. Vooraf werd aangegeven welke taak er kwam: een gele cirkel betekende een rekentaak, een blauw vierkant een taaltaak.

En juist deze “cue” was belangrijk: Lyons en Beilock zagen dat mensen met rekenangst bij het zien van een gele cirkel verhoogde activiteit kregen in de hersengebieden die betrokken zijn bij pijn en angst, en een verlaging hiervan bij een blauw vierkant. Met andere woorden: ze voelden lichamelijke pijn of dreiging wanneer ze een rekentaak verwachtten, en opluchting wanneer er een taaltaak kwam. Opvallend genoeg was deze verhoging niet te zien tijdens het daadwerkelijk doen van de rekentaak. De lichamelijke afwerende reactie, zoals de onderzoekers de ervaring van pijn en dreiging omschrijven, treed dus alleen op bij het vooruitzicht te moeten rekenen.  

Rekenzelfbeeld
Die angst vooraf zou het vermijdende gedrag van deze “rekenangstigen” kunnen verklaren. Jansen onderzocht het niveau van rekenangst door onder andere naar het vermijden van rekenen te vragen. Zo’n duizend deelnemers van de in totaal ruim 4400 van het Groot Nationaal Onderzoek vulden de vragenlijst van Jansen in. ‘We legden vooral situaties voor die met rekenen te maken hebben en vroegen vervolgens in hoeverre die situatie angst oproept,’ legt Jansen uit. Daarnaast was er nog een vragenlijst over het rekenzelfbeeld, waarbij mensen gevraagd werden in hoeverre ze er vertrouwen in hebben sommen te kunnen oplossen. Vervolgens werd het niveau van rekenangst van de deelnemers gekoppeld aan hun prestaties bij het maken van optelsommen, in een ander onderdeel van het Groot Nationaal Onderzoek.

Bijzonder opvallend vond Jansen de verschillen tussen mannen en vrouwen die ze vond: ´Als mannen en vrouwen even goed scoren op een rekentest, zijn vrouwen geneigd zichzelf lager in te schatten. De rekenvaardigheden van vrouwen en de rekenangst hangen bovendien sterker samen dan bij mannen: wanneer vrouwen hoog scoren op rekenangst, presteren ze ook slechter op de opteltaak. Bij mannen zagen we dat niet.’ Jansen vervolgt: ‘In het onderzoek zien we natuurlijk alleen correlaties, maar dit wekt in ieder geval de suggestie dat de negatieve gevoelens rond rekenen op vrouwen meer invloed hebben dan op mannen.’ Internationaal worden deze sekseverschillen lang niet altijd gevonden, volgens Jansen. Ze had deze sekseverschillen ook niet verwacht te vinden in deze steekproef: de deelnemers zijn voornamelijk hoger opgeleid en geïnteresseerd in wetenschap.

Waar dat sekseverschil dan vandaan komt? ‘Uit dit onderzoek kan ik geen oorzaak afleiden,’ aldus Jansen. ‘Maar eerder, internationaal onderzoek suggereert dat seksestereotypen rond rekenen een belangrijke rol spelen. Er zijn onderzoekers die menen dat er op jonge leeftijd nog geen man-vrouwverschillen in prestaties en houding zijn. De houding ten aanzien van rekenen wordt beïnvloed door de houding van de ouders en de leraren.’ Jansen gaat verder: ‘Er zijn onderzoeken gedaan waaruit blijkt dat  leraren matige rekenprestaties bij jongens aan andere oorzaken toeschrijven dan bij meisjes. Als een jongen slecht scoort, lijkt een leraar eerder geneigd om te denken: hij heeft niet genoeg zijn best gedaan. Haal een meisje net zo’n slecht cijfer, dan heeft een leraar eerder het idee dat ze er geen talent voor heeft. Zulke gedachten zijn waarschijnlijk vooral onbewust, maar kunnen wel beïnvloeden hoe de leraar zich vervolgens opstelt tegenover jongens en meisjes. Kort door de bocht wordt de instelling: bij jongens heeft hulp bieden zin, bij meisjes niet.’  Kinderen komen dus veel in aanraking met deze seksestereotypen, en zouden zich hiernaar kunnen gedragen. Volgens Jansen zou het zo vroeg mogelijk de kop in drukken van deze stereotypen dan ook kunnen helpen om rekenangst te verminderen, in ieder geval bij meisjes. Jansen pleit ook voor meer makkelijke sommen in de rekenles: ‘Uit ander onderzoek dat ik heb gedaan blijkt dat het belangrijk is voor zowel jongens als meisjes om veel succes te ervaren bij rekenen. Door makkelijke sommen aan te bieden, zullen kinderen veel sommen correct oplossen en hier ook positieve feedback voor te ontvangen. Uit het onderzoek blijkt dat kinderen dan meer oefenen met rekenen. Dit leidt in ieder geval tot een toename van de rekenprestaties.’ Worden kinderen daardoor ook minder bang voor rekenen? Dat weet Jansen nog niet: ‘Of het ook helpt tegen rekenangst kunnen we pas op de lange termijn zien.’