Nieuwsbrief

Blijf wekelijks op de hoogte van het beste uit De Kennis van Nu en het laatste nieuws!

MELD JE AAN
glastuinbouw

Biodiesel en bio-ethanol voorkomen de uitstoot van broeikasgas door fossiele brandstof. Maar het kaalstrippen van land om daar palmolie of suikerriet te verbouwen brengt eenmalig veel broeikasgas in de atmosfeer. Vooral in de tropen kan het inlossen van deze ‘broeikasschuld’ in theorie meer dan een eeuw duren.


Biobrandstof als oplossing voor het broeikasprobleem heeft al geruime tijd zijn onschuld verloren. De koolstof in biodiesel uit palmolie, of de koolstof in bio-ethanol uit suikerriet, is als CO2 opgenomen uit de atmosfeer toen die gewassen groeiden. Dus wanneer die koolstof als CO2 weer vrijkomt bij de verbranding, is dat in theorie een gesloten kringloop die geen bijdrage levert aan het opwarmen van de aarde. Maar de inzet van biobrandstof voorkomt wel de uitstoot van extra, fossiele CO2 door olie of gas, zodat dit het broeikaseffect terugdringt.

In breder perspectief is het een veel genuanceerder verhaal. Een van de belangrijkste spelbedervers is, dat voor het aanleggen van biobrandstofplantages de oorsponkelijke vegetatie gekapt moet worden. Daarin zat veel koolstof opgeslagen, die na het kappen snel in de atmosfeer vrijkomt (door verbranding of verrotting). Ook uit de bodem komt dan vaak door erosie veel koolstof vrij. Dat kan een veelvoud zijn van een jaar biobrandstofproductie op dat stuk land.
Elke biobrandstof-plantage begint dus met een flinke 'klimaathypotheek' die met de oogsten in de jaren daarop moet worden terugbetaald.

Wereldatlas
Een internationale groep onderzoekers publiceert nu in Nature Climate Change voor het eerst een wereldatlas die per gebied aangeeft hoeveel jaar diverse biobrandstofgewassen er over doen om hun klimaathypotheek terug te betalen. Daaruit blijken enorme verschillen in terugbetaaltijd: van een jaar tot meer dan anderhalve eeuw.

Van de vijf onderzochte gewassen mais, suikerriet, soja, koolzaad en wintergraan komt koolzaad globaal het slechtste uit de berekening, en mais het beste.
'De belangrijkste factor is de locatie,' zegt eerste auteur van het artikel, Pieter Elshout van de Radboud Universiteit. Locatie hangt sterk samen met de grondsoort en het soort vegetatie dat er oorspronkelijk staat. In tropisch regenwoud zit per hectare heel veel hout, dus koolstof, in grasland veel minder. Daardoor beginnen biobrandstofplantages in gematige streken met een veel kleinere klimaathypotheek dan die in de tropen.

Kunstmestdividend
Opmerkelijk is ook het verschil in terugbetaaltijd tussen wel of geen kunstmest gebruiken. De productie van kunstmest vergt veel energie, zodat die op zich een flinke hoeveelheid broeikasgas aan de atmosfeer toevoegt. Maar met kunstmest op de akkers zijn de oogsten zoveel hoger, dat de besparing aan broeikasgas een veelvoud daarvan is. De terugbetaaltijd wordt daardoor minstens met de helft gereduceerd, tot wel 80 procent korter.

Deze gegevens zijn gebaseerd op het potentieel voor biobrandstof op elk stukje aarde waar landbouw mogelijk is. Aangezien de afgelopen tien jaar enorme stukken regenwoud in Indonesië en Maleisië zijn gekapt voor de aanleg van plantages – dus juist in gebieden met een lange terugbetaaltijd - zou het kunnen dat de complete biobrandstofproductie tot nu toe nog een broeikasgasschuld heeft die pas over tien of twintig jaar is afbetaald.

Elshout is nu bezig om de gegevens over al bestaande biobrandstof-percelen te verwerken, zodat daar duidelijkheid over komt. 'Die cijfers hoop ik eind juni bij elkaar te hebben.'


Greenhouse-gas payback times for crop-based biofuels, Pieter Elshout e.a., Nature Climate Change, 11 mei 2015.