Nieuwsbrief

Blijf wekelijks op de hoogte van het beste uit De Kennis van Nu en het laatste nieuws!

MELD JE AAN
Baby-industrie

Op het jaarcongres van Europese vruchtbaarheidsartsen blijkt dat er hard wordt gewerkt aan nog betere technieken om vrouwen zwanger te maken. Het is een miljardenmarkt, waar nog veel groei in wordt verwacht. Al stribbelen overheden tegen.

Er staan artsen in de rij om op een iPad een spelletje te spelen. Ze moeten een eicel door een doolhof naar de goede plek brengen om bevrucht te worden. Lollig. Verderop, in de stand van de European Spermbank, staat een soort fiets met een bolle tank voorop en een lange witte staart. Bezoekers mogen erop gaan zitten met een helm in de vorm van een spermatozoïde op hun hoofd. De fiets is beroemd, dus de belangstelling is groot.

Dit zijn uitzonderingen. De enorme hal waarin ik rondloop is verder vooral gevuld met stands waar allerhande technische hulpmiddelen op een serieuzere manier worden uitgevent. Scherpe, holle naalden om eicellen uit eierstokken te halen. Injectiepennen met hormonen. Plastic bakjes om bevruchtingen in te laten plaatsvinden. Microscopen met joysticks aan weerszijden, zodat de cellen goed te manipuleren zijn. Een systeem om embryo’s snel en veilig in te vriezen. Testkits om de chromosomen van embryonale cellen binnen 24 uur te tellen. En nog heel veel meer.

De hal is minstens 100 meter breed en ruim drie keer zo lang. Er lopen duizenden mensen rond, die allemaal hun brood verdienen met de menselijke voortplanting. Want seks is tegenwoordig niet meer de enige manier om kinderen te verwekken. De eerste ‘reageerbuisbaby’ werd in 1978 geboren. Inmiddels zijn wereldwijd 4,6 miljoen kinderen in het laboratorium verwekt, en elk jaar groeit hun aandeel. Europa, met z’n geld en z’n hoogopgeleide bevolking, loopt voorop. Ruim de helft van de naar schatting 350.000 kunstmatig verwekte baby’s die vorig jaar op de wereld werden gezet, was Europeaan.

ICSI

En de techniek schrijdt voort. Vochten zaadcellen in het begin vooral zelf om de hoofdprijs, met een plastic bakje als arena, nu is het meestal de laborant die beslist welke spermatozoïde wint. Die wordt in z’n geheel de eicel in gepipetteerd. ICSI heet dat, oftewel intracytoplasmatische sperma-injectie. Er werd aanvankelijk argwanend naar gekeken, want dit was nog veel onnatuurlijker dan gewone IVF (in vitro fertilisatie, dus ‘bevruchting in glas’). Inmiddels is iedereen in deze tak van de geneeskunde wel overtuigd van de veiligheid van de techniek. Ruim 70 procent van de Europese laboratoriumbevruchtingen vindt op die manier plaats.

Commerciële belangen

Dat komt vooral doordat veel klinieken niet het risico willen lopen dat geen enkele van de eicellen bevrucht raakt, terwijl er een tijdrovende en onaangename procedure voor nodig was om ze te verkrijgen, zegt Anna Veiga uit Spanje. Zij is de voorzitter van de European Society of Human Reproduction and Embryology (ESHRE), de organisator van dit congres en een instantie die dit soort cijfers bijhoudt. Waarschijnlijk spelen ook commerciële belangen een rol, want buiten Nederland zijn vruchtbaarheidsklinieken meestal private ondernemingen. IVF-cycli die geen embryo’s opleveren, zijn natuurlijk geen goede reclame. Het feit dat het uiteindelijke resultaat van ICSI gemiddeld niet beter is dan dat van ‘gewone’ IVF, doet daar niets aan af.

De regels rond vruchtbaarheidsbehandelingen zijn in Europa sowieso heel verschillend. In Spanje mag veel, inclusief eiceldonatie door een anonieme donor, die daar dan geld voor krijgt. Een ‘onkostenvergoeding’ van zo’n 900 à 1000 euro. Betaling mogen we het van Veiga niet noemen. Maar feit is wel dat vrouwen uit heel Europa naar Spanje gaan voor eicellen, omdat het aanbod er veel groter is dan in andere landen en de wachtlijsten korter. 

Baby's kunnen direct na de geboorte ademhalen. Da's Gods hand, weet Weet. (Foto sfegette, Flickr)

Veel cijfers over IVF-toerisme heeft de ESHRE nog niet. Maar een eerste poging om dat in kaart te brengen in zes landen, liet zien dat Nederlanders relatief vaak naar het buitenland gaan voor vruchtbaarheidsbehandelingen. Het is bovendien opvallend dat het aantal IVF-cycli per miljoen inwoners sterk verschilt per land. De laatste cijfers zijn van 2008. In Nederland vonden toen 1290 cycli plaats per miljoen inwoners, in België bijna het dubbele. Een deel van de verklaring is dat Nederlandse stellen na drie vergeefse behandelingen in eigen land uitwijken naar de zuiderburen, waar ze op eigen kosten nog een of meer pogingen doen. Een andere koploper was Denemarken, maar waarschijnlijk komt dat vooral door binnenlands gebruik: 5 procent van de pasgeboren Denen dankt zijn bestaan aan het laboratorium.

Het succes van de vriezer

Naast de opkomst van ICSI is er nog een opvallende ontwikkeling: het toenemende succes met bevroren embryo’s en bevroren eicellen. Je zou denken dat vers altijd het beste is. Toch zijn de succespercentages minstens even hoog als embryo’s worden gebruikt die eerst zijn ingevroren en dan weer ontdooid. Ze zijn soms zelfs beduidend hoger. Hoe kan dat?

Waarschijnlijk ligt het aan de hormoonbehandeling waarmee veel eicellen tegelijk rijp worden gemaakt. Die onnatuurlijke toestand zou het baarmoederslijmvlies minder ontvankelijk maken voor innestelende embryo’s. Een maandje wachten is misschien beter. En om dat te kunnen doen, is bevriezing van eicellen of embryo’s nodig.

Binnenkort wordt het misschien normaal om één keer eitjes te laten oogsten en dan iedere maand naar het ziekenhuis te gaan om een nieuw embryo in te laten brengen, heb ik van verschillende artsen gehoord. Net zo lang tot er een succesvolle zwangerschap tot stand is gebracht of de embryo’s op zijn, uiteraard. 

google-baby

De technieken worden dus steeds beter, de succespercentages hoger, de baby’s gezonder. Toch wordt er veel geklaagd op dit congres. Ten eerste over het feit dat vrouwen zelf te weinig weten over hun vruchtbaarheid. Ze beseffen zelden hoe dramatisch hun vruchtbaarheid afneemt in de tweede helft van hun dertiger jaren en onderschatten de effecten van ongezond leven. Daardoor kloppen ze vaak aan bij een vruchtbaarheidskliniek als het al bijna te laat is.

Ten tweede zijn veel verwijten te horen aan het adres van overheden, die weinig geld over hebben voor vruchtbaarheidsbehandelingen en veel verschillende regels hanteren. Dat heeft vruchtbaarheidstoerisme tot gevolg, maar ook riskante beslissingen. Stellen krijgen in Groot-Brittannië bijvoorbeeld veel vaker een tweeling dan elders, wat veel complicaties en dus veel kosten met zich meebrengt. Ze laten meestal twee of mer embryo’s implanteren, omdat ze van hun verzekering hooguit één IVF-cyclus vergoed krijgen. De medische kosten door de tweelingen zijn een stuk hoger dan de besparing die het karige vergoedingsbeleid oplevert.

De samenleving als geheel

Kijk je naar de samenleving als geheel, dan is het vergoedingsbeleid helemaal vreemd geregeld, aldus iedereen die ik erover spreek. Mark Conolly, een marktonderzoeker, heeft cijfers. Die ik overigens niet zomaar vertrouw, want hij presenteert ze op een persbijeenkomst van medicijngrootmacht MSD, die er alle belang bij heeft om aan te tonen dat er meer geld naar de vruchtbaarheidsindustrie zou moeten gaan. 

Het lukt niemand om helemaal rationeel met zijn geld om te gaan. Of waarmee dan ook. (freephoto1.com)

IVF creëert nieuwe belastingbetalers, dat is het voornaamste argument van Conolly. Die kosten aanvankelijk geld, maar leveren de overheid later in hun leven juist geld op. Hij berekende dat de kosten per gerealiseerd IVF-kind in Denemarken bij vrouwen onder de 40 rond de 11.000 euro zijn, en ruim 26.000 als ze ouder zijn. Veel geld, maar dat valt volgens hem in het niet bij de overige kosten die de overheid maakt, voor school, kinderbijslag enzovoort. En dat wordt weer ruimschoots overtroffen door de belasting die het kind als volwassene gaat betalen. De leeftijd waarop een burger winstgevend wordt voor de overheid verschuift na IVF van 39 naar 41, aldus de marktonderzoeker.

Baten komen later

Het probleem is alleen: de kosten worden nu gemaakt, de baten komen pas veel later, als er een andere regering in het zadel zit. Het ontbreekt de overheden aan een langetermijnvisie. En op een integrale visie op gezondheidszorg, voegt Conolly nog toe. ‘Hoe veel geven we nu eigenlijk uit aan deze tak van geneeskunde? Een kwart procent van het budget voor gezondheidszorg. De focus ligt bijna helemaal op het levenseinde, niet op het begin. Dat is eigenlijk heel raar.’

Maar geld is natuurlijk niet het enige argument. Belangrijker vindt iedereen het geboortecijfer in Europese landen, dat ruim onder de 2 ligt (In Nederland is het 1,75) . Dat betekent een krimpende bevolking. Zonder voortplantingsgeneeskunde zou die krimp harder gaan, en daarom is ruimhartige financiering nodig, zeggen de deskundigen. Ze wijzen op Denemarken, waar de vergoeding per 1 januari van dit jaar sterk versoberd is. In de eerste twee maanden werden 20 procent minder vruchtbaarheidsbehandelingen uitgevoerd.

Het laatste argument is misschien wel het belangrijkste: voortplanting draait om levensgeluk. Achter al die berekeningen, succespercentages en technische hoogstandjes schuilt een wereld van bezorgde mensen die zich afvragen of het voor ze is weggelegd, een gezin met kinderen. Ze zijn bereid om veel ongemak te verduren, maar als ze het financieel niet kunnen opbrengen of de wet ze van behandeling uitsluit, houdt het op.