Nieuwsbrief

Blijf wekelijks op de hoogte van het beste uit De Kennis van Nu en het laatste nieuws!

MELD JE AAN
Gratis onderwijs voor iedereen

Amerikaanse top-universiteiten bieden online cursussen aan waarmee je een volwaardig diploma kunt halen. Ze zijn bedoeld voor kansarmen die geen collegegeld kunnen betalen. Maar die maken minder gebruik van zulke MOOCs dan welgestelden. Ook voor Nederlandse universiteiten zijn 'kansarmen' niet meer dan bijvangst.    

Universiteiten als Harvard en MIT heffen torenhoge collegegelden die niet op te brengen zijn voor mensen met een (beneden)modaal inkomen. Echte uitblinkers kunnen een beurs krijgen, maar over het algemeen moet een Amerikaan zijn hoger onderwijs zelf betalen. Dat is nogal een verschil met bijvoorbeeld Nederland, waar het collegegeld maar een fractie van de werkelijke kosten dekt en de rest uit belastinggeld komt.

Een paar jaar geleden begonnen sommige universiteiten gratis, of tegen sterk gereduceerd tarief, online cursussen aan te bieden, zogeheten Massive Open Online Courses (MOOCs). Die bestaan uit onder meer video-opnames van colleges, schriftelijk cursusmateriaal, een online platform voor begeleiding en de mogelijkheid om echt tentamen te doen.

De bedoeling was idealistisch: mensen met weinig geld de kans geven om ook aan een top-universiteit te studeren, althans virtueel. Zo moest de groeiende tweedeling in de samenleving, tussen 'arm, laagopgeleid en dus kansarm' en 'rijk, hoogopgeleid en dus kansrijk' worden bestreden.

Voor de MOOCs waar bekende hoogleraren aan meewerkten liep het meteen storm, al bleken de meeste cursisten al na een week af te haken. Doorgaans haalt slechts 10 procent de eindstreep. Niettemin volgen mensen over de hele wereld zulke MOOCs, alleen al voor die van Harvard en MIT waren het er in de academische jaren 2012 tot 2014 meer dan een miljoen.

Online universiteit

Census blocks
Maar wie zijn die mensen? John Hansen en Justin Reich van Harvard en MIT doen in Science verslag van hun inventarisatie van de 164.000 in de VS wonende Harvard- en MIT-cursisten. Van hen is bekend in welk census block (een soort postcodegebied van de meest recente volkstelling) ze wonen, en van al die census blocks zijn statistische gegevens bekend over de inkomens en het opleidingsniveau van de inwoners.

Daaruit doemde een flinke kloof op: cursisten wonen in buurten met een mediaan inkomen per huishouden van 70.000 dollar, 12.000 dollar boven het nationaal gemiddelde (het mediane inkomen ligt per definitie op de grens waar 50 procent van de inkomens lager is, en 50 procent hoger. De mediaan is voor inkomens een betere indicator dan het gemiddelde, omdat dit laatste disproportioneel omhoog getrokken wordt door een kleine minderheid van extreme topinkomens). Als je alleen kijkt naar cursisten tussen de 13 en 17 was het verschil nog groter, 23.000 dollar boven het gemiddelde. Dit betreft dus kinderen in de schoolleeftijd die, over het algemeen, nog bij hun ouders wonen maar al een universitaire cursus volgen. Ook is de kans dat een cursist de eindstreep haalt duidelijk groter als die in een 'betere' buurt woont. MOOCs lijken de tweedeling tussen kansrijk en kansarm dus eerder te vergroten dan te verkleinen. 

Erfelijk of aangeleerd?
In hun artikel hebben Hansen en Reich het niet over de vraag, waarom zo weinig mensen uit de lagere sporten op de maatschappelijke ladder deze kansen aangrijpen. Je belandt dan al snel in een welles-nietes discussie over nature versus nurture. Als je er van uit gaat dat de VS de laatste paar generaties tenminste voor een deel een meritocratie was - een maatschappij waar gebruik maken van je talenten je een betere positie oplevert – en als je aanneemt dat eigenschappen als intelligentie, intellectuele nieuwsgierigheid en doorzettingsvermogen deels erfelijk zijn, is de reden dan niet simpelweg, dat mensen in de sociaal-economisch lagere klassen gemiddeld intellectueel minder getalenteerd zijn? 

'Er zijn veel mogelijke verklaringen,' zegt John Hansen (per e-mail). 'De rol van erfelijkheid hebben we niet onderzocht, maar het bewijsmateriaal over de invloed van de buurt op je economische positie – waarbij je ook kijkt naar de variatie tussen kinderen uit hetzelfde gezin – wijst er op dat succes hebben in de VS met meer dingen te maken heeft dan met erfelijke eigenschappen.'

Ook sommige Nederlandse universiteiten bieden MOOCs aan. De TU Delft loopt voorop, maar ook Leiden, de UvA, de TU Eindhoven, Groningen en Maastricht onplooien activiteiten op dit gebied. Rob Schuwer van Fontys Hogescholen is bezig de Nederlandse MOOCs te inventariseren. De achtergrond van de cursisten is hier veel minder nauwkeurig in kaart gebracht, maar hij weet wel: 'De populatie wijkt niet sterk af van wat in Science beschreven wordt. Zeventig procent van de cursisten heeft tenminste al een bachelor diploma. Wat trouwens ook opmerkelijk is: zeventig procent van de cursisten is man.' De slagingspercentages liggen er trouwens nog lager dan aan Harvard en MIT: van degenen die zich inschrijven begint slechts de helft daadwerkelijk aan online onderwijs, en maar 5 procent haalt een diploma.

In Nederland heeft on line hoger onderwijs dus evenmin primair het effect dat de kenniskloof tussen kansarm en kansrijk verkleind wordt. Schuwer kent geen onderzoek naar de oorzaak van dit verschijnsel, maar neemt aan 'dat je omgeving toch voor een groot deel bepaalt of je je talenten kunt ontwikkelen.' Volgens Schuwer liggen de universiteiten die MOOCs aanbieden hier niet wakker van: 'Ze willen experimenteren met online onderwijs, omdat dit hun internationale zichtbaarheid vergroot en hopelijk studenten uit het buitenland aantrekt. Dat 'kansarmen' daar eventueel baat bij hebben kun je bijvangst noemen.'

Het artikel in Science staat hier. Naar verwachting zal het mediane inkomen van de mensen die dit artikel gaan lezen significant hoger zijn dan het Nederlandse mediane inkomen.