twee silhouet hoofden met een vraagteken ertussen

Mensen vragen in een gesprek gemiddeld elke anderhalve minuut om opheldering. En dan doen ze ook nog eens op dezelfde manier, welke taal ze ook spreken, blijkt uit Nederlandse onderzoek.

Of ze nu Russisch, Chinees of Argentijnse gebarentaal spreken: mensen vragen hun gesprekspartner gemiddeld elke 90 seconden om opheldering. Vaak doen ze dat met een woordje dat overal ter wereld wordt gebruikt: hè? Daarnaast komen ook het stellen van een specifieke vraag (‘Wie?’) of het doen van een suggestie (‘Zeventig?’) vaak voor. Deze drie methoden van opheldering vragen ontfutselden de onderzoekers aan uren aan video-opnamen van alledaagse gesprekken in twaalf talen.

Dat is bijzonder, stellen de Nijmeegse taalwetenschappers van het Max Planck Instituut en de Radboud Universiteit, omdat lang is verondersteld dat de structuur van gesprekken per cultuur verschilde, en te chaotisch zou zijn om een taalkundige vergelijking mogelijk te maken. Naar nu blijkt, is het stopzetten en ophelderen van een gesprek een universeel fenomeen. Dat wil zeggen: een universeel menselijk fenomeen – voor zover bekend komt het niet voor bij dieren, ook al kunnen die ook zeer complexe communicatie hebben.

Toepassingen van het onderzoek zijn wellicht mogelijk in het taalonderwijs en communicatie tussen verschillende culturen. Ook zou het kunnen helpen om computers ‘menselijker’ te laten reageren, bijvoorbeeld als je smartphone niet uit de voeten kan met een stemcommando.

De onderzoekers hebben overigens een prachtig eufemisme gevonden voor hè-zeggen: universal principle in the repair of communication problems. Twee van de onderzoekers, Mark Dingemanse en Nick Enfield, hebben dan ook al jaren professionele ervaring met het veelgebruikte woordje. In 2013 publiceerden ze hun bevinding dat ‘hè’ universeel gebruikt werd in landen wereldwijd. Dit nieuwe onderzoek vloeit rechtstreeks voort uit die ontdekking.

Mark Dingemanse, Nick Enfield en anderen, ‘Universal principles in het repair of communication problems’, in PLoS ONE, 16 september 2015.