kunstmatige intelligentie

Kunstmatige intelligentie beïnvloedt geleidelijk aan alle onderdelen van de maatschappij en daarom moeten burgers er wegwijs in worden gemaakt. Als er één consensus was tijdens de VN-conferentie Artificial Intelligence for Good, dan was het deze.

Ook wetenschapsjournalist Bennie Mols discussieerde mee. Hij vertelt erover in De Ochtend.

De VN-conferentie vond van 7 tot en met 9 juni plaats in Genève (Zwitserland). Zo’n vijfhonderd deelnemers uit de wetenschap en het bedrijfsleven (o.a. Microsoft en Google), van overheden en niet-gouvernementele organisaties (o.a. Amnesty International en de WHO) discussieerden daar over de vraag hoe kunstmatige intelligentie kan bijdragen aan het realiseren van de zeventien VN-doelen voor duurzame ontwikkeling.

Op die lijst staan onder andere als doelen het uit de wereld helpen van armoede en honger, goede gezondheid en scholing voor iedereen, en gelijke behandeling ongeacht gender, etniciteit en sociaal-economische status.

Geen wondermiddel tegen wereldproblematiek

Natuurlijk rolden er genoeg ideeën over tafel hoe kunstmatige intelligentie kan bijdragen aan het bereiken van individuele VN-doelen. Als het gaat om gezondheid kan kunstmatige intelligentie bijdragen aan medische diagnoses via de smartphone, aan het automatisch analyseren van medische scans, aan het ontwerpen van nieuwe medicijnen en aan het stroomlijnen van processen in de gezondheidszorg.

Als het gaat om honger kan kunstmatige intelligentie bijvoorbeeld via satellietbeelden aan zien komen waar oogsten dreigen te mislukken, opbrengsten vergroten met precisielandbouw, het inzetten van zelfrijdende voertuigen in moeilijk toegankelijke gebieden of het beter op elkaar afstemmen van vraag en aanbod op de markt.

Toch was er grote consensus dat kunstmatige intelligentie echt niet alle wereldproblemen kan oplossen. Waar het om gaat is dat kunstmatige intelligentie kleine bijdragen kan leveren aan het oplossen van problemen die voor een groot deel een sociaal-economische oorzaak hebben.

Concentratie van macht

Veel belangrijker dan de losse tech-ideeën die over tafel kwamen, waren fundamentele onderliggende vragen: Wie bepaalt er welke kant kunstmatige intelligentie uit gaat? Waar ligt de macht? Hoe kan iedereen in de wereld profiteren van kunstmatige intelligentie? Ook de drie miljard mensen die nog in armoede leven; ook de achthonderd miljoen mensen die met een of andere handicap door het leven moeten.

Momenteel zijn het vooral vijf grote Amerikaanse bedrijven die het meeste geld in de ontwikkeling van kunstmatige intelligentie stoppen en de beste onderzoekers van universiteiten plukken: Google, Facebook, Amazon, Microsoft en Apple.

Deze bedrijven bezitten inmiddels ongekend grote dataverzamelingen. Daarnaast patenteren ze belangrijke onderdelen van de technologie die kunstmatige intelligentie implementeert. Deze concentratie van macht was een grote gedeelde zorg bij de conferentiedeelnemers.

Nieuw instituut als toezichthouder

Als oplossing werd aangedragen om een onafhankelijk instituut op te richten. Dat instituut zou er eentje à la CERN kunnen zijn: een instituut dat van alle deelnemende landen geld ontvangt en daarmee onafhankelijk onderzoek doet. Het zou ook een wat eenvoudigere vorm kunnen aannemen, en vooral een coördinerende en wellicht toezicht houdende rol op zich kunnen nemen.

Ook zou het instituut bijvoorbeeld dataverzamelingen met een publiek belang kunnen beheren.

Tenslotte zou zo’n instituut veel aandacht moeten hebben voor de ethische kant van kunstmatige intelligentie. Het zou ontwikkelaars moeten stimuleren om systemen te bouwen die kunnen uitleggen hoe ze tot een beslissing zijn gekomen, om na te gaan waar de verantwoordelijkheid ligt wanneer het systeem een fout maakt en om te zorgen dat het systeem transparant is voor de eindgebruikers.

Wie bezit de data?

Een tweede grote bron van zorg heeft te maken met data. Kunstmatige intelligentie wordt gevoed door data. Veel van die gegevens komen echter alleen uit rijke westerse landen. Dat kan er voor zorgen dat kunstmatige intelligente systemen beslissingen nemen die vooroordelen bevatten en discrimineren. Er moet dus alles aan gedaan worden om dataverzamelingen aan te leggen die zo divers mogelijk zijn, bijvoorbeeld als het gaat om gender, etniciteit en sociaal-economische status.

Daarnaast zijn er zorgen over wie de data bezit, wie toegang tot de data heeft en de privacy-gevoeligheid van data. Zeker als het gaat om bijvoorbeeld vluchtelingen (denk aan gedetailleerde satellietbeelden) is dat laatste een heel heikel punt.

Smartphone als digitale docent

Tenslotte zouden kunstmatig intelligente systemen zoveel mogelijk ontwikkeld moeten worden in samenwerking met de mensen die ze gaan gebruiken. En hoewel ontwikkelingslanden potentieel het meeste kunnen profiteren van kunstmatige intelligentie, hebben ze volgens sommige experts ook het meeste te verliezen als we niet oppassen. Juist in deze landen kan de banenmarkt namelijk het hardst getroffen worden door automatisering en robotisering.

Volgens veel aanwezige experts is het onderwijs het terrein waar kunstmatige intelligentie relatief eenvoudig, goedkoop en snel grote bijdragen kan leveren. Zelfs in landen waar miljoenen mensen geen toegang hebben tot onderwijs, hebben mensen vaak wel toegang tot een smartphone.

Met de smartphone als digitale docent kan kunstmatige intelligentie bijdragen aan goedkoop één-op-één onderwijs.