Nieuwsbrief

Blijf wekelijks op de hoogte van het beste uit De Kennis van Nu en het laatste nieuws!

MELD JE AAN
Niet aan witte beren denken
Soms flap je er iets uit dat je liever voor je had willen houden. Of je struikelt terwijl je het nog zo probeerde te voorkomen. Waarom doen we dat? Waarom werkt het brein niet altijd mee? En zijn er manieren om gedachten en daden toch te onderdrukken?

Je brein en jij zijn niet altijd het beste team. Want waarom verdwijnt dat verschrikkelijk deuntje van de wegenwachtreclame niet uit je hoofd? Flap je er geheel onbedoeld, maar wél gemeend uit dat je de baby van die goede vriendin lelijk vindt? En knoei je een glas rode wijn op het maagdelijk wit tapijt van je stugge schoonmoeder terwijl je nog zo opgelet hebt dat vooral niet te doen?

Dingen zeggen en doen die we juist koste wat kost willen vermijden. Het leidt tot grappige, maar vaak ook ongemakkelijke en soms pijnlijke momenten. We willen het niet en toch doen we het. Het is heel herkenbaar en van alle tijden. Edgar Allen Poe noemde het fenomeen 'het duiveltje van de dwarsheid', Sigmund Freud 'de tegenwil' en Charles Darwin was het opgevallen dat 'normale handelingen vaak onbewust uitgevoerd worden, niet zelden tegenovergesteld aan hoe we het bedoeld hebben'.

Witte beer
Oorspronkelijk een idee van Dostojevski is het 'witte beren' onderzoek uit 1987 van de gerenommeerde Amerikaanse psycholoog Daniel Wegner van de Harvard universiteit het startpunt voor een breed scala aan wetenschappelijke studies naar het 'woeps'-fenomeen. Wegner vroeg proefpersonen om eerst vijf minuten niet aan witte beer te denken. De volgende vijf minuten moesten de personen juist wel aan een witte beer denken. De deelnemers moesten gedurende de test op een bel drukken wanneer ze - gewild of ongewild - aan een witte beer dachten. Het bleek dat personen die eerder de gedachte aan het dier probeerden uit te bannen, twee keer zo vaak op de bel drukten dan de controlegroep. Blijkbaar komt die onderdrukte gedachte als een boemerang terug.

De onderdrukte gedachte is voer voor veel psychologisch onderzoek. Sinds Wegners witte-berenproef zijn psychologen in de afgelopen twee decennia heel wat wijzer geworden over het hoe en waarom. Het onderzoek is breed, verrassend, confronterend en Wegner heeft nu in het vakblad Science het belangrijkste werk eens op een rij gezet. Om te beginnen met: waarom is het zo moeilijk om gedachten überhaupt te onderdrukken?

Sociaal wenselijk
Volgens de ironic process theory onderdrukken we gedachten via twee mentale processen. In eerste instantie probeert je brein de gedachte bewust te verdringen. Daar moet iemand moeite voor doen. De proefpersoon die niet aan een witte beer mag denken, zal bijvoorbeeld zijn gedachten proberen af te leiden door aan iets anders te denken. Stap twee is dat het brein controleert of de gedachte aan het beest ook ėcht verdrongen is. Dit is een onbewust proces. Samen zorgen die twee processen er voor dat we ons correct en sociaal wenselijk gedragen.

Maar soms gaat het mis. Dan maakt het controlecentrum fouten. Dat gebeurt wanneer we afgeleid worden, moe zijn of in de stress schieten omdat we bijvoorbeeld onder tijdsdruk staan. Het controlecentrum laat - en dit maakt de theorie zo ironisch - de gedachte aan de witte beer 'ontsnappen'.

Zo komen de meest onwelkome gedachten opborrelen: verdrietige herinneringen, taboe-gedachten over seks en homo-erotiek, geheimen, verboden verlangens, onmogelijke liefde, angst, pijn en vooroordelen over ras, etniciteit, nationaliteit of sekse. Maar ook de gedachte aan iets dat we koste wat kost willen bereiken of voorkomen zijn een prima voedingsbodem voor de ironic process theory.

Penaltysyndroom
Denk bijvoorbeeld aan het penaltysyndroom van het Nederlands voetbalelftal. Frank de Boer, Jaap Stam en Paul Bosveld misten tijdens de strafschoppenreeks in de halve EK-finale tegen Italie. De beste voetballers van het veld verknallen het op de penaltystip. Omdat ze het niet kunnen? Nee, omdat de angst om hem op de lat of over het doel te schieten groter is. Uit onderzoek met een eye-tracker blijkt dat voetballers die de opdracht hadden gekregen de bal níet in een bepaalde hoek te schieten juist vaker naar die hoek keken.

Wegner zelf heeft in een experiment met een gewicht aan een touwtje laten zien hoe moeilijk het is om iets niet te doen. In een eerste test moesten proefpersonen voorkomen dat de pendule, die ze vasthielden, zou gaan bewegen. Daar slaagden ze nog redelijk in (zie foto 4, A). Lastiger werd het in de tweede test waar nog een taak aan toegevoegd werd: voorkom bovendien dat de pendule heen en weer zwiept langs een pijl (B). De deelnemers faalden jammerlijk wanneer ze de opdracht kregen taak A en B te herhalen en bovendien ook nog afgeleid werden: ze moesten met sprongen van drie terug tellen van duizend naar nul (C en D).

Homo-erotisch
Uit ander onderzoek naar seksuele opwinding werd een groep mannelijke deelnemers gevraagd een erectie te onderdrukken bij het kijken van een erotische film. Het zal inmiddels niet meer verbazen dat dat nogal lastig bleek. Vooral als de mannen ook nog alcohol gedronken hadden en zich dus minder goed konden concentreren. Uit wetenschappelijk onderzoek zijn aanwijzingen dat de ironic process theory ook van toepassing is op homofobe mannen die juist enorm opgewonden raken van homo-erotische plaatjes.

Is de mens dan volledig overgeleverd aan zijn onderbewuste? Aan het wel of niet functioneren van zijn controlecentrum? Gelukkig niet. We flappen er wel eens wat uit, maar over het algemeen kunnen we onszelf goed onder controle houden. Met trucs. Accepteren dat je wel eens wat stom zegt, is er zo een. Problemen delen in plaats van ze geheim houden. En vooral: ontspannen.

Struikelen? Onbeantwoorde liefde? Een vreselijk geheim? Penalty gemist? Shit happens. Minder fanatiek de controle proberen te houden en accepteren dat het wel eens anders loopt. Dan houd je tijd en energie over voor meer waardevolle zaken.

Daniel Wegner, "How to Think, Say, or Do Precisely the Worst Thing for Any Occasion", in Science, 3 juli 2009.

Frederique Melman