vrouw met hoofdpijn

Nieuw onderzoek bevestigt: er is geen duidelijk verband tussen GSM-masten en gezondheidsklachten. Maar een kleine groep mensen zegt toch last van de elektromagnetische velden te hebben. Hoe komt dat? En wordt het fenomeen wel goed gemeten?

Tijdens haar promotieonderzoek is Astrid Martens sympathie gaan voelen voor mensen die zeggen ‘elektro-hypersensitief’ te zijn - dat wil zeggen, overgevoelig voor de radiofrequente elektromagnetische velden (RF-EMF) rondom zendmasten. ‘Ze hebben veel last van hun gezondheidsklachten en krijgen soms weinig begrip van hun omgeving.’ Juist dat die klachten zo reëel zijn, maakt ze zo interessant voor een gezondheidspsycholoog als zij. 

Geen verband tussen klachten en blootstelling

Martens ploegde de afgelopen jaren de gegevens van 15.000 mensen door, waaronder informatie over hun gezondheid, hun blootstellingsniveaus aan RF-RMF èn hun gedachten daarover. Van die 15.000 waren er overigens maar weinig zelfverklaard elektro-hypersensitieven. 

Ze zocht naar mogelijke verbanden tussen eventuele klachten, de werkelijke blootstelling aan RF-EMF, hoeveel mensen dáchten blootgesteld te zijn, en hoe schadelijk ze dachten dat RF-EMF is. Ze keek naar gezondheidsklachten als duizeligheid, slaapproblemen, buik- en hoofdpijn, misselijkheid en pijn op de borst. 

Net als veel eerdere onderzoekers vond Martens geen bewijs voor een direct verband tussen die gezondheidsklachten en de werkelijke blootstellingsniveaus. Dat bevestigt bevindingen uit eerder onderzoek, waaronder experimenten met elektro-hypersensitieven, waarin ook geen verband gevonden werd. 

Wat je denkt, heeft wél invloed

Martens vond wel een ander verband: mensen die hun eigen blootstellingsniveaus hoger inschatten, en bovendien sterker overtuigd waren dat die velden schadelijk zijn, hadden ook vaker klachten. En: ze ontdekte dat dat niet alleen geldt voor RF-EMF, maar ook voor luchtvervuiling en geluidsoverlast. 

‘Dat laatste ben ik gaan onderzoeken omdat het me opviel dat onderzoekers het nooit over de invloed van perceptie hebben als het gaat om evidente of hogere risico’s, zoals luchtvervuiling. Alleen bij lage of onzekere risico’s, zoals geassocieerd met RF-EMF, zoeken ze naar psychosociale factoren’, zegt Martens. ‘Maar die spelen ook in andere gevallen een rol.’ 

Wat is er eerder: de klacht of de overtuiging?

Voor dat verband tussen perceptie en klacht zijn verschillende mogelijke verklaringen. Eén ervan is het zogenaamde nocebo-effect: denk je dat EF-RMF je ziek maakt, dan is de kans groter dat je ook ziek wordt. Dat was al eerder aangetoond. Maar het zou ook andersom kunnen werken: dat mensen die al klachten hebben hun omgeving gaan scannen op mogelijke oorzaken, en die denken te vinden in een zendmast. In tegenstelling tot het nocebo-effect gaan de klachten dan dus vooraf aan de overtuiging dat ze door RF-EMF veroorzaakt worden. 

Martens wilde die wirwar van oorzaak en gevolg een beetje uit elkaar trekken. En omdat haar data, anders dan in veel eerdere onderzoeken, verzameld waren gedurende meerdere jaren, kon dat. Zo ontdekte ze dat in sommige gevallen de klachten eerder zijn, en in andere de overtuiging.

Bergen data

Martens onderzocht daarnaast of de manier waarop blootstellingsniveaus ingeschat wordt wel accuraat is. ‘Daarvoor worden modellen gebruikt, die de blootstelling per adres berekenen aan de hand van een enorme berg data: de afstand tot de zendmast, op welke verdieping de slaapkamer is, de hoogte van de mast, de frequentie en zendrichting, en of er gebouwen tussen de mast en het huis staan’. 

Om die modellen te controleren, liet Martens vijftig proefpersonen twee dagen rondlopen met een kastje dat hun precieze individuele blootstellingsniveaus bijhield. Die niveaus werden naast de inschatting gelegd die de modellen voor hun adres maakten. 

Wat bleek: ze kwamen overeen. Goed nieuws, want accuratesse is geen luxe in onderzoek naar zo’n controversieel fenomeen. 

Op 21 november aanstaande promoveert Martens aan de Universiteit Utrecht.