Nieuwsbrief

Blijf wekelijks op de hoogte van het beste uit De Kennis van Nu en het laatste nieuws!

MELD JE AAN
bergketen Noorwegen Romsdalsalpene

Deze week opent het filmfestival in Rotterdam met Beyond Sleep, de verfilming van Hermans’ roman Nooit meer slapen. Drie professoren betogen dat daarin, naast het menselijk tekort, vooral het falen van de wetenschap centraal staat.

Nooit meer slapen, de klassieker uit 1966 van Willem Frederik Hermans, is vooral bekend als het verhaal van de mislukte expeditie van een jonge geoloog in Lapland. De hoofdpersoon verliest behalve zijn metgezellen ook iedere greep op de werkelijkheid. Wie het boek iets nauwkeuriger leest, ontdekt tal van verwijzingen naar de wetenschap. En vooral naar de vele tekortkomingen ervan. Als fysisch geograaf kon Hermans volop putten uit zijn persoonlijke, weinig enthousiaste ervaringen binnen zijn vakgebied.

Hans Renders, hoogleraar geschiedenis en theorie van de biografie in Groningen, beschouwt Nooit meer slapen als de literaire variant van zijn proefschrift. Volgens Renders schrijft Hermans in de roman in eerste instantie over zijn teleurstelling in de mens: ‘Maar daarnaast laat hij zijn hoofdpersoon gaandeweg ontdekken dat ook wetenschap en techniek hem in de steek laten. Waar hij er van uit ging dat hij altijd kon terugvallen op de wetenschap, wordt ook die zekerheid hem uit handen geslagen. Het falen van de wetenschap en haar beoefenaren geeft een hermansiaanse draai aan het verhaal. Hoe vaker een mens de werkelijkheid onderzoekt en daaruit conclusies probeert te trekken, hoe duidelijker het menselijk tekort aan het licht komt.’

Vanaf de middelbare school genoot geologie grote belangstelling van Hermans, maar het zou altijd ondergeschikt blijven aan zijn literaire ambities. Hermans (1921-1995) promoveerde in Amsterdam op een onderzoek naar reliëfvormen in Luxemburg. Bij de verdediging van zijn proefschrift was vriend en schrijver Gerard Reve een van zijn paranimfen.

Achterdochtig

In 1958 kreeg Hermans een aanstelling als lector fysische geografie aan de subfaculteit Geologie van de universiteit in Groningen. Op dat moment was Hermans’ reputatie als schrijver al gevestigd. Als gevolg daarvan werd hij scherp in de gaten gehouden door zijn collega’s. Sommigen onder hen verdachten hem ervan dat hij zich ook in werktijd bezighield met het schrijven van romans. Het maakte Hermans achterdochtig. Tegelijkertijd voelde hij zich weinig op zijn gemak, omdat hij colleges moest geven die hem niet echt lagen.

In praktijk werkte hij één dag in de week voor de universiteit. Daarin gaf hij colleges in onder meer cartografie, meteorologie, bodemkunde en klimatologie. Geregeld bezocht hij buitenlandse congressen, maar waarschijnlijk vond hij het gewoon interessant om te reizen, vermoedt Renders: ‘Over die congressen hoorde je bijna nooit meer iets en tot wetenschappelijke publicaties heeft dat reizen dan ook niet geleid. Tegelijkertijd werd hem snel duidelijk dat een benoeming tot hoogleraar weinig realistisch was.’

Volgens Willem Otterspeer, hoogleraar geschiedenis in Leiden en schrijver van de recente, tweedelige biografie over Hermans, kwam de keuze voor een baan als universitair docent vooral voort uit pragmatische overwegingen. Hermans was bij voorkeur van niemand afhankelijk maar moest natuurlijk wel in zijn onderhoud voorzien. Ook als schrijver en publicist had hij rekening te houden met de voorkeur van uitgevers en eindredacteuren, terwijl uitsluitend leven van zijn pen er vooralsnog niet in zat. Daarbij kende het aanvragen van subsidies en werkbeurzen voor zijn literaire werk ook zijn grenzen.

Een betrekking als lector in Groningen bood hem dan ook financiële zekerheid, vertelt Otterspeer: ‘Hermans beschouwde het werk als universitair docent puur als middel van bestaan. Hij voelde zich in het geheel niet aangetrokken door de werkomgeving. Bohème en goedkope wijn waren aan hem niet besteed. De contraprestatie voor zijn deeltijdwerk aan de universiteit leverde Hermans in de vorm van zijn boeken. Althans zo zag hij dat zelf.’

Erosieprocessen

Emeritus hoogleraar moderne letterkunde Jaap Goedegebuure beschouwt Hermans als een degelijk wetenschapper: ‘Hij blonk er niet bepaald in uit. Zijn prioriteit lag overduidelijk bij de letteren. Heel gelukkig kan hij zich niet hebben gevoeld in Groningen. Achteraf beschouwde hij zich mislukt als wetenschapper.’

In 1960 bezocht Hermans als geoloog een wetenschappelijk symposium in de stad Abisko, in het Zweedse deel van Lapland, tegen de Noorse grens. Aansluitend nam hij deel aan een internationaal geologiecongres in Stockholm. Aan de hand van het dagboek dat Hermans tijdens zijn verblijf bijhield concludeert Otterspeer dat hij er aanvankelijk alles aan deed om het congresthema, erosieprocessen, zo goed mogelijk te doorgronden. Daar lag zijn fascinatie voor het vakgebied, zegt Otterspeer: ‘Hij was sterk geïnteresseerd in de permanente verwering van het aardoppervlak. De manier waarop in de loop van miljarden jaren bergketens ontstaan en weer afvlakken. Een eindeloos proces van eroderende regens en blikseminslag waarin de mens volkomen afwezig is. Je kunt zeggen dat Hermans een puur geologische blik op de geschiedenis had. Zijn filosofische wereldbeeld was in grote mate bepaald door de geologie.’

Expeditie

In zijn dagboek noteerde Hermans ook dat hij mijlenver achterbleef bij zijn collega’s. Volgens Otterspeer sloeg het inzien van zijn eigen tekortkomingen bij Hermans gegarandeerd om in agressie en wrok. ‘Andere geologen beschouwde hij als een stel verwende rijkeluiszoontjes. In de woorden van Hermans waren het klootzakken bij wie niet alles is mislukt door geldgebrek. Waarmee hij zijn persoonlijke achtergrond aanhaalde en die overigens flink overdreef. Belangrijker was dat hij tijdens die eerste trip de contouren van de roman Nooit meer slapen moet hebben gezien.’

Dat moet ook de werkelijke reden zijn geweest dat hij een jaar later opnieuw naar Noorwegen afreisde, denkt Otterspeer: ‘Naar eigen zeggen was het voor Hermans de eerste keer dat de geologie hem voordeel opleverde.’ Inderdaad ondernam Hermans als geoloog een expeditie naar Finnmarken in Noord- Noorwegen, samen met Torbjørn Fjellang, het alter ego van Arne Jordahl, de Noorse reisgezel en gids van hoofdpersoon Alfred Issendorf in de roman. Issendorf gaat op pad met een opdracht waarvan een beetje vakgenoot op voorhand de uitkomst wist. Hij moest de herkomst van gaten in het toendra-achtige landschap onderzoeken. Waren die afkomstig van zich terugtrekkende gletsjers of het gevolg van ingeslagen meteorieten?

Issendorf ging, op het spoor gezet door zijn promotor in Nederland, uit van de hypothese van de meteorieten. Maar die theorie was eigenlijk zo dwaas dat eerst de Noorse hoogleraar Nummedahl en later zijn drie expeditiegenoten hem nauwelijks serieus namen. Otterspeer kwam erachter dat de roman aanvankelijk ‘De schredenteller’ zou heten: ‘Daarmee wilde Hermans het empirische uitgangspunt benadrukken. Een wetenschapper moest immers alles tellen, meten en weten.’

Falen

Goedegebuure wijst erop dat Hermans in de ban was van de filosoof Ludwig Wittgenstein en diens theorie dat elk systeem altijd moet correleren met de feiten. Vandaar dat hoofdpersoon Issendorf in Nooit meer slapen voortdurend zijn stappen telt, op zijn horloge kijkt en koste wat het kost luchtfoto’s van het landschap in bezit wil krijgen. ‘Een wetenschapper dient elke hypothese hard te maken met feiten en bewijzen. Aanvankelijk was Hermans ervan overtuigd dat wetenschappelijk onderbouwde kennis de enige vorm van kennis was. Maar uit Nooit meer slapen blijkt overduidelijk dat de mens op geen enkele manier iets te weten kan komen over de wereld waarin hij zich bevindt.’

Misschien gaf die pessimistische kijk op wetenschapsbeoefening en zijn eigen falen daarin Hermans des te meer overtuiging om zich aan het schrijven van romans te wijden. Otterspeer stelt dat hij daarbij voor een wetenschappelijke aanpak koos. Met dit verschil dat de schrijver geen empirische bewijzen hoeft te leveren. ‘Maar een roman vormde voor hem wel een sluitend geheel waarin alle elementen functioneel zijn. Als dat niet het geval is, dient de romanschrijver uit te leggen waarom.’

Onvermogen

Het is dan ook geen toeval dat waar hoofdpersoon Issendorf overal houvast zoekt, de expeditie van begin af aan gigantisch misloopt. Zijn horloge begeeft het, zijn kompas stuitert in een spelonk en naderhand treft hij de begeerde luchtfoto’s bij toeval aan in de rugzak van een van zijn Noorse expeditiegenoten. Daardoor beseft Issendorf al snel dat hij als geoloog die harde wetenschappelijke bewijzen wel op zijn buik kan schrijven. Goedegebuure: ‘De hoofdpersoon voelt zich door iedereen genaaid; een terugkerend thema in zijn werk. Het onvermogen van Issendorf sluit direct aan bij zijn bundel korte verhalen Paranoia. Daarin stelt Hermans de retorische vraag of mensen überhaupt iets te weten kunnen komen van de werkelijkheid. De mens probeert schijnbare orde te scheppen in de chaos. Maar vervolgens weet hij niet of hij met een systeem of met een legpuzzel te maken heeft. Hermans schrijft dat er geen verschil bestaat tussen een spoorboekje of een logaritmetafel en versnipperde kranten.’

Daarnaast raakte Issendorf volgens Goedegebuure verstrikt in een machtsconflict tussen zijn promotor in Nederland, professor Sibbe lee, en diens Noorse vakgenoot Nummedal. Dat zou verwijzen naar de niet aflatende onderlinge strijd tussen wetenschappers. Goedegebuure haalt de Amerikaanse wetenschapsfilosoof Thomas Kuhn aan. Die stelt dat echte wetenschappelijke vooruitgang niet zozeer ontstaat wanneer iemand op basis van onderzoek een nieuwe hypothese ingang kan laten krijgen. Een revolutie in het vakgebied krijgt pas zijn beslag wanneer een wetenschapper voor zijn theorie de handen op elkaar krijgt bij vakgenoten. In het verlengde daarvan, zo zegt Goedegebuure, trekt ook Hermans in Nooit meer slapen het fundament onder de wetenschapsbeoefening vandaan: ‘De roman mondt uit in een buitengewoon sceptische kijk op de wetenschap. De werkelijkheid is eens te meer onkenbaar voor stervelingen.’

Want nadat de expeditie in één groot fiasco is geëindigd met onder meer de dood van reisgenoot Arne, krijgt Issendorf op de terugweg in het vliegtuig de stellige indruk dat een meteoriet is ingeslagen in het gebied waarin hij dagenlang heeft rondgedoold. Aan het slot van de roman krijgt de hoofdpersoon van zijn moeder een setje manchetknopen van meteoriet cadeau. Otterspeer noemt het een tragedie waar Hermans een tragikomedie van maakt: ‘Je hoort hem grimmig lachen terwijl hij het schreef. Het kenmerkt de cynische, vaak wrokkige kijk van Hermans op de wereld en de nietige rol van de mens.’

Ontslag

Nadat Nooit meer slapen was verschenen, bleef Hermans nog zeven jaar actief aan de universiteit. Echt gezellig zou het nooit worden. Zijn achterdocht nam alleen maar toe nadat een commissie was ingesteld om zijn productiviteit als lector te controleren. Naderhand moest het universiteitsbestuur de hand in eigen boezem steken omdat Hermans aan zijn plichten voldeed en keurig zijn colleges gaf. Hoe saai en droog die in Hermans’ eigen woorden ook waren: ‘Natuurwetenschappelijk komt maar een deel van mij aan het woord. Mijn ironie verlaat mij praktisch geheel.’

In 1973 nam Hermans ontslag. Van een oud-student-assistent uit de jaren zestig begreep Renders dat de faculteit al langere tijd zat te broeden op een elegante manier om van hem af te komen: ‘Na een medisch onderzoek zou hij zijn afgekeurd en in de WAO terecht zijn gekomen.’ Otterspeer doet het verhaal af als onjuist. Hermans werd volgens de biograaf medisch getest omdat hij last had van evenwichtsstoornissen, maar van afkeuring was geen sprake: ‘Hij heeft zelf ontslag genomen. Het enige wat hij eraan overhield was zijn pensioen. Zijn boeken liepen al een tijdje goed, hij kon zijn villa in Haren voor een mooie prijs verkopen en had genoeg geld om zich in Parijs te kunnen vestigen. Daarmee was de noodzaak van een vaste aanstelling verdwenen.’

Dokwerk: Willem Frederik Hermans – Een overgevoelige natuur
Zaterdag 30 januari, NPO Cultura, 20.45-22.45 uur

Willem Frederik Hermans zittend in studeerkamer

Boekcitaten in de film

Nadat W.F. Hermans eerst zelf vergeefse pogingen had gedaan, beten tal van scriptschrijvers de tanden stuk op het filmscenario voor Nooit meer slapen. De auteur verwees alles naar de prullenbak; als hij het zelf niet voor elkaar kreeg, was het onbestaanbaar dat een ander het wel kon. Na Hermans’ dood waakte zijn zoon Ruprecht over de filmrechten. Hij ging pas overstag na het zien van Kauwboy (2012) van regisseur Boudewijn Koole.

In de zomer van 2014 trok Koole met hoofdrolspeler Reinout Scholten van Aschat en een internationale cast naar Noord-Noorwegen voor de opnames. De draaidagen verliepen naar wens, maar de montage bleek een puzzel. Om te benadrukken dat het verhaal van de expeditie zich grotendeels afspeelt in het hoofd van hoofdpersoon Issendorf sprak Scholten van Aschat in de studio letterlijke passages in uit de roman. Juist door die toevoeging heeft Otterspeer hoge verwachtingen van de speelfilm. Tijdens de presentatie van het tweede deel van zijn Hermans-biografie werden fragmenten vertoond die hem de indruk gaven dat regisseur Koole de juiste toon en richting te pakken had: ‘Het compulsieve praten en de woedende monologen uit het boek kwamen goed uit de verf.’ Zijn collega Renders hoopt dat Beyond Sleep geen reportageachtige film is geworden: ‘Het is een misverstand om te denken dat het verhaal een reisverslag is. Het gaat vooral om de ongrijpbaarheid van de werkelijkheid.’

VPRO Cinema doet uitgebreid verslag van het Filmfestival Rotterdam