Nieuwsbrief

Blijf wekelijks op de hoogte van het beste uit De Kennis van Nu en het laatste nieuws!

MELD JE AAN
Rembrandt van Rijn zelfportretten 1629

In navolging van eerdere onwaarschijnlijke beweringen over Vermeer en andere oudere meesters, stelt de Journal of Optics dat Rembrandt zijn zelfportretten waarschijnlijk ook mechanisch overschilderde van projecties. ‘Belachelijk’ en ‘onwetenschappelijk’, reageren twee Nederlandse Rembrandt-experts geërgerd.

In 2001 bracht de Britse popart-kunstenaar David Hockney samen met experimenteel fysicus Charles Falco een boek uit met de naam ‘Secret Knowledge: Rediscovering the Lost Techniques of the Old Masters’. Het uitgangspunt van het boek was dat de Europese Renaissance- en Barokschilders hun meesterwerken nooit zo realistisch hadden kunnen maken zonder projecties die voortvloeiden uit constructies van verschillende spiegels en primitieve diaprojectors (camera-obscura’s). Die projecties zouden dan door de schilder overgetrokken zijn en de basis voor het uiteindelijke schilderij vormen.

Ondanks hevig protest van vele kunsthistorici, vond de zogenaamde Hockney-Falco hypothese eerder veel weerklank in de media, met onder meer twee lange TV-documentaires op de BBC en CBS. En hoewel ook onze eigen Vermeer er in 2013 aan moest geloven, was er nooit genoeg steun in de kunstwereld om Hockney’s idee geaccepteerd te krijgen.

Die weerzin baseert zich op vele redenen. Zo is het bijvoorbeeld onwaarschijnlijk dat schilders in heel Europa eeuwenlang optische hulpmiddelen zouden gebruiken en ze er nooit iets over vermeldden. De opdrachtgevers van de schilderijen wilden vaak liever een verfraaid portret van zichzelf dan echt puur realisme. En de Oude Meesters waren evengoed in staat om bijvoorbeeld fantasiewezens op een ‘realistische’ manier te schilderen.

Studie Rembrandt ongefundeerd en speculatief

Desondanks lijkt de geest van Hockney maar moeilijk weg te krijgen. Het Engelse wetenschapstijdschrift The Journal of Optics publiceert vandaag een nieuwe studie waaruit zou blijken dat ook Rembrandt van Rijn zijn zelfportretten (met ‘probable’ en ‘possible’ duidelijk in het cursief aangeduid) via projectievoorstellingen zou hebben overtrokken en beschilderd.

‘Aandachttrekkerij’, ‘onwetenschappelijk’, ‘belachelijk’, ‘buitengewoon jammer’, ‘zonde van je tijd en energie’… Er was niet meer nodig dan de studie te tonen om deze woorden uit de monden van twee echte Rembrandtkenners te krijgen. Zowel David de Witt (Senior Conservator van het Rembrandthuis) als Nederlands-Amerikaans Rembrandthistoricus Gary Schwartz waren eerst niet geneigd om te reageren in de hoop de studie niet meer aandacht te geven dan ze verdient.

De Witt: ‘De argumenten die de auteurs gebruiken zijn erg selectief en speculatief. Er is een groot gebrek aan onderbouwde wetenschappelijke literatuur, historische documenten en de bronnen zijn enkel Engelstalig. Daarnaast is ook hun kennis gelimiteerd. Zo hebben ze duidelijk geen kennis van hoe je etsen maakt. En Rembrandt maakte ook geen ondertekening of kraslijnen alvorens aan het echte schilderwerk te beginnen. Hij startte eerst altijd met de onderschildering met doodverf (een bruine onderlaag) en begon daar dan meteen met penseel op te schilderen.’

Rembrandt had talent genoeg

Desondanks staat het vast dat Rembrandt en Vermeer de camera obscura wel kenden, maar volgens De Witt is er net zoals bij andere schilders geen enkel schriftelijk bewijs dat ze het ook voor hun schilderijen gebruikten. ‘Zo plaatste de notaris van Rembrandt wel een spiegel in Rembrandts huis onder de lijst van waardevolle objecten toen Rembrandt failliet was, maar andere optische instrumenten ontbraken. We vermoeden ook dat zijn leerling Samuel van Hoogstraten veel van Rembrandts atelierinstrumenten overnam maar ook hij vermeldt geen optisch instrument.’

Het lijkt misschien contra-intuïtief, maar volgens Schwartz zou een opstelling van spiegels en een camera-obscura de schilder juist meer werk, tijd en hogere kosten bezorgen. Schwartz: ‘De kunstenaars uit Rembrandts tijd waren specialisten in hun vak, met jarenlange opleiding in de ateliers van meesters die met oog, hand, verstand en eventueel een spiegel, een liniaal en wat touw werkten. Hun opleiding stelde hen in staat perspectivische interieurs, stadsgezichten en zelfportretten met eenvoudige mechanische hulpmiddelen en trucs te tekenen en schilderen.’

Rembrandts eigen manier van schilderen is ook uiterst goed gedocumenteerd en bevestigd door tal van prestigieuze onderzoeksinstellingen, waaronder het Rembrandt Research Project, het Rijksmuseum, The National Gallery of London, het Mauritzhuis, The Metropolitan Museum of Art, en The Philadelphia Museum of Art.

Daarom bestaat er waarschijnlijk geen betere manier om Rembrandt van het Hockney-virus te verlossen dan door gewoon naar zijn eigen schilderstijl te kijken. De Witt: ‘Als je naar Rembrandts zelfportretten kijkt merk je dat er veel fysieke verschillen tussen zijn gezichten bestaan. Die fysieke verschillen zijn juist het gevolg van Rembrandts typische manier van schilderen. Direct, uit de vrije hand, expressief, en trefzeker. Dat was zijn talent. Mocht hij zijn gezicht gewoon mechanisch hebben overschilderd, dan hadden de resultaten er heel anders en eentonig uitgezien.’

Een overzicht van Rembrandt zijn zelfportretten vind je hier.

Update: Recht van antwoord

Naar aanleiding van dit stuk werden we op zaterdag 16 juli door een van de auteurs van de Britse studie (Francis O’Neill) gecontacteerd. Hoewel O’Neill (onafhankelijk onderzoeker aan Oxford) het waardeerde dat we aandacht aan zijn werk hebben besteed, is hij het op tal van punten oneens met de inhoud van ons artikel (en met de uitspraken van de Rembrandt-kenners).

We vinden het fijn om te merken dat ons lezerspubliek niet enkel tot Nederland (en België) beperkt blijft. We waarderen het ook dat de auteur de moeite heeft gevonden om een vier pagina tellend antwoord te schrijven.

Dat antwoord heeft ons (ondanks de lengte) nog altijd niet overtuigd om onze conclusies te veranderen (en dan met name de selectieve beargumentering van de studie). Toch lijkt het ons eerlijk om het antwoord van de auteur te vermelden zodat je als lezer zelf kunt oordelen.

De eigenlijke studie vind je hier.