Nieuwsbrief

Blijf wekelijks op de hoogte van het beste uit De Kennis van Nu en het laatste nieuws!

MELD JE AAN
kabul bus

Door Marieke Drost en Saar Slegers.

Risicovol gedrag wordt slecht begrepen en vaak scherp veroordeeld. Maar heeft het ook voordelen? Drie portretten van mensen die ongewone risico’s nemen. Deel drie (slot): de oorlogsjournalist. Lees ook deel één en twee.

Er is geen kledingwinkel in Afghanistan die burka’s verkoopt voor vrouwen van 1,88 meter. Dus elk nieuw exemplaar dat journaliste Bette Dam koopt, moet meteen naar de kleermaker, om er een stuk aan te laten zetten. Op haar reizen door Kandahar leidde het resultaat soms tot hilariteit onder de Afghanen.

Maar meestal slaagt Bette erin op te gaan in Afghanistan, onderdeel te worden van de samenleving. Waar veel collega’s alleen embedded werken, reist zij in haar Toyotaatje door Afghanistan, vaak met slechts een gids en tolk als gezelschap. Op een receptie in haar huisje in Kabul babbelt een presidentskandidaat met een voormalige Taliban-minister, om vervolgens een sapje te drinken met een westerling die al zestig jaar in Kabul woont. Die ontmoetingen, die uitwisseling, daar doet Bette het voor. Ze woont, werkt, leeft tussen de Afghanen. Embedded? In Afghanistan zelf ja, het Afghanistan van de gewone mensen.

Haar allereerste keer in Afghanistan, in 2006, was heel anders. ‘Toen dacht iedereen nog dat je daar als journalist alleen met het leger naar toe kon. Defensie leek wel een reisbureau.’ Dus maakte ze kennis met het land vanachter de muren van Kamp Holland, de Nederlandse basis in Uruzgan. ‘Toen ik drie jaar daarvoor met een Nederlandse Irakees door Irak reisde, vlak na de invasie, ben ik nauwelijks bang geweest. Maar in Kamp Holland was ik doodsbang. Er was zo’n afstand tot de Afghaanse werkelijkheid, zo weinig kennis van de lokale context. Er kwam nauwelijks een Afghaan binnen. De muren moesten beschermen, maar hielden juist waardevolle intelligence buiten. Dat voelde ontzettend onveilig. Tijdens een raketaanval lag ik huilend op de grond. Toen ik na twee weken terugkeerde in Nederland zei ik tegen mijn moeder: ik ga nooit weer.’

´ Ik was dóódsbang. Toen we landden in Kabul dacht ik: ik kan ook gewoon in de buik van het vliegtuig blijven zitten. ´

kabul 3

Gewone mensenstad

Ze had hetzelfde beeld van Afghanistan als de meeste westerlingen hebben: aanslagen, ontvoeringen en geweld. Haar ervaring in Kamp Holland had dat beeld niet ontkracht. Maar een paar maanden na haar terugkomst in Nederland ving ze een glimp op van een ander Afghanistan, in een artikel over de machtsgreep van de latere president Karzai. ‘Het was niet zo’n abstract verhaal over de oorlog tegen terreur – goed tegen kwaad, het Westen tegen de Taliban – maar een complex verhaal over allianties, stammen en politieke spelletjes. Over echte mensen, mensen die namen hadden, Mohammeds en Ibrahims en Rahmatullahs. Toen dacht ik: ik moet er weer heen, het land proberen te begrijpen. Ik moet die angst overwinnen.’

Dus ze boekte een vlucht, een civiele ditmaal. ‘Ik kan me elk moment van die reis nog herinneren. Ik was dóódsbang. Toen we landden in Kabul dacht ik: ik kan ook gewoon in de buik van het vliegtuig blijven zitten. Dan vliegen we gewoon weer terug. Dan hoef ik niet! Ik zou worden opgehaald door een Afghaan van het hotel. Hij zou me opwachten met zo’n bordje met mijn naam erop. En ik dacht: een kidnapper heeft dat bordje afgepakt en gaat me meenemen. En dan ben ik verloren.’

Toch stapte ze uit. Nieuwsgierigheid won. En de aankomsthal ontplofte niet, de man met het bordje met haar foutgespelde naam bleek geen kidnapper. ‘Toen we door Kabul reden, keek ik mijn ogen uit. Het bleek een gewone mensenstad, met groentewinkels, kledingwinkels en hotels. Dit verhaal moet ik vertellen, dacht ik. Dat het leven hier gewoon doorgaat.'

Zeventien lijken

Bette bleef, en burgerde in, min of meer. Ze woonde jaren in Kabul, schreef er een boek over Karzai, deed verslag voor, onder andere, cnn, The Guardian, NRC en Vrij Nederland. Ze reisde het land door. Gaf feestjes voor Afghanen met alcohol weggemoffeld in de keuken. ‘Het leven was veel minder eng dan de kranten suggereren.’

Maar het is natuurlijk geen vakantieland, geeft ze toe. Ze heeft ook doodenge momenten doorgemaakt, zij het minder dan verwacht. ‘Eén keer kan ik me nog goed herinneren. In 2012 schoot een Amerikaanse soldaat zeventien Afghanen in een dorpje in Kandahar dood. Zomaar, middenin de nacht. Het was groot nieuws, en ik had daar een netwerk, ik wist dat ik er kon komen. Dus ik ging. Het is een van de gevaarlijkste trips die ik heb gemaakt. De sfeer in Kandahar was intens, iedereen stond er op scherp. Er lagen zeventien lijken en niemand wist wat er was gebeurd. Er was ontzettend veel boosheid ten aanzien van Amerikanen. Dan moet je als blanke heel voorzichtig zijn. Bijna niemand wist dat we kwamen. De avond voordat we naar het dorpje zouden gaan, stond er ineens een Australische collega voor de deur van mijn hotelkamer in Kandahar. Zijn veel te westerse kleren zaten onder het bloed, hij had een verwilderde blik in zijn ogen. Hij was met een ministerskonvooi meegegaan dat was aangevallen. “Ik heb gehoord dat je naar het dorp toe wil,” zei hij. “Ga alsjeblieft niet, Bette, het is er levensgevaarlijk.” Ik heb hem aangehoord en gezegd: “Bedankt voor de tip. Super appreciated. Maar ik ga wel. Jouw bezoek was aangekondigd. Meegaan met Afghaanse ministers, beschermd door Amerikaanse militairen, is nu gevaarlijk. Wij gaan anders.” Hij was woedend en verbijsterd. “Je bent naïef!” riep hij. Hij begreep het niet.’

kabul

Overlevingsstrategie

‘De volgende dag reden we dat gebied binnen. Woestijngebied, ver buiten Kandahar. Op een gegeven moment zeiden mijn Afghaanse collega’s: Bette, het wordt hier wel erg stil op de weg. Dat viel mij ook op. Als de kinderen niet meer spelen, dan moet je wel even goed uitkijken. Er verscheen heel in de verte één motorfiets. Mijn collega werd doodsbang, ik zag het gebeuren, in een knip. Zo gaat dat met angst, ineens slaat die toe. Hij dacht dat het een aanslagpleger was.  Ik kneep hem ook flink. We keerden om. Maar toen kwamen we een Afghaanse militair in een jeep tegen die die kant op ging. Die vertrouwde mijn collega wel. We zijn een stukje meegereden en uiteindelijk toch alleen het gebied in gegaan. Zo heb ik toch nog dat verhaal kunnen maken.’

Deze manier van werken, zegt Bette, is mogelijk juist doordat ze niet achter een muur gaat zitten, maar onderdeel probeert te worden van de samenleving – voor zover dat gaat als rijzige Friezin met helblauwe ogen. Doordat ze overal contacten onderhoudt en geruchten opvangt. Dat is meer dan een journalistieke strategie: het is een overlevingsstrategie. ‘Ik noem het het Afghaanse trucje. Goed geïnformeerd zijn. Weten wie wie in de haren wil vliegen en wanneer wat gaat gebeuren.’ Zo overleven Afghanen zelf in een permanent onveilig land, zegt ze. Om als westerling veilig te kunnen werken moet je je angst overwinnen en hen navolgen. Tegen je reflexen in, voeling houden met de samenleving.

Bevlogenheid

Maar de situatie in Afghanistan verslechtert, en Bettes werk wordt steeds gevaarlijker. Het geld raakt op, corruptie tiert welig. Het kidnappen van journalisten wordt een steeds aantrekkelijker manier om aan geld te komen. Dus wat bezielt haar?

Eén antwoord is: ze wil al die kleine verhalen vertellen die achter het grote misleidende frame van de War on Terror schuilgaan. Verhalen over stammen en vetes en handelsbelangen. ‘Ik wilde laten zien hoe militaire interventies in zulke complexe situaties snel meer kwaad doen dan goed. Er was geen eenduidige vijand, en het Westen bleef maar troepen sturen. Er staat zoveel op het spel: triljoenen dollars, talloze mensenlevens. Ik kan dat niet ongemoeid laten.’

Maar bevlogenheid is misschien niet de hele verklaring. ‘Ik ben iemand die moeilijke dingen opzoekt, heb veel energie, en weinig grenzen. Misschien komt dat doordat ik vroeger kort gehouden werd. Verslag doen van dit soort complexe situaties was het moeilijkste wat ik kon verzinnen. Dus dat ben ik gaan doen.’

Ze is nu in Nederland om aan een nieuw boek te werken. Het is fijn om even te ontspannen: ze is toch wel erg moe van het continu risico’s inschatten, scherp zijn. Maar ze is Nederland ook een beetje ontwend. ‘De zorgeloosheid in het Westen is soms fijn, maar ook lastig voor me. Dat je hier dagenlang kunt leven zonder ook maar ergens over na te hoeven denken. Ik mis de intensiteit van Afghanistan. Ja, ik kan me goed voorstellen dat ik over een paar maanden weer vertrek.’

Deze artikelen begeleiden een serie RadioDocs over risico’s in een risicomijdende samenleving, hier te beluisteren.

Waarom kiezen oorlogsjournalisten voor dit beroep? 

Anthony Feinstein, hoogleraar psychiatrie aan de universiteit van Toronto, doet al twintig jaar onderzoek naar stress en de emotionele gezondheid van oorlogsjournalisten. Uit zijn onderzoek bleek dat deze beroepsgroep een verhoogd risico loopt op posttraumatische stressstoornissen en depressie. Niet zo verwonderlijk, vindt hij, als je bedenkt dat ze veel meer tijd aan de frontlinie doorbrengen dan de gemiddelde soldaat: soms wel vijftien jaar. Terwijl ze, anders dan militairen, in hun opleiding nauwelijks worden voorbereid op geweld.

‘Een deel van het antwoord vind je in hun genen,’ zegt Feinstein. ‘Succesvolle oorlogsjournalisten hebben een genetische opmaak die niet alleen maakt dat ze zich tot dit soort werk aangetrokken voelen, maar ook zorgt dat ze het volhouden. Het zit ’m in hun dopaminehuishouding. Onderzoek suggereert dat mensen met een hang naar avontuur hogere dopamineniveaus hebben. Het kan ook zijn dat het niet de dopamineniveaus zijn, maar het feit dat hun dopaminesysteem geactiveerd wordt door avontuur. Hoe dan ook, deels is het hardwired.

Natuurlijk zijn de genen niet het hele verhaal. Maar de kans dat je het vijftien jaar volhoudt zonder zo’n avontuurlijke aanleg is erg klein.

Hun motivatie verandert wel in de loop van een carrière. Sommige van de grote oorlogsjournalisten die ik heb onderzocht werden aanvankelijk vooral aangetrokken tot het avontuur. Maar ze realiseerden zich na een tijd hoe belangrijk hun rol was, als stem van de misdeelden, als enige getuigen van onrecht. Naarmate ze ervarener werden, werd die motivatie belangrijker.

Maar natuurlijk halen ze er ook iets voor zichzelf uit. Als je dit werk niet leuk vindt, doe je het niet.’