Nieuwsbrief

Blijf wekelijks op de hoogte van het beste uit De Kennis van Nu en het laatste nieuws!

MELD JE AAN
neonatologie

Vroeger was een kind dat maanden te vroeg geboren werd ten dode opgeschreven. Maar door steeds betere behandelmethoden blijven nu zelfs kinderen die met 24 weken geboren worden in leven. Een lesje leven buiten de baarmoeder.

Een extreem vroeggeboren baby weegt zo’n 750 gram – driekwart pak suiker. Ouders schrikken ervan als ze hun kind zo voor het eerst zien: een klein, rood en glanzend mensje met dichte oogjes, magere beentjes en een flinterdunne huid. De artsen hadden hen er al op voorbereid, maar zo kwetsbaar en teer hadden ze zich hun kind niet kunnen voorstellen. Net zoals de moeder van de veel te vroeg geboren tweeling Eden en Léandro in de documentaire Frühstart Leben die Arte maandag uitzendt, staan hen weken van slopende onzekerheid op de intensive care van de afdeling neonatologie te wachten. Ze hebben geen idee of hun kind het gaat redden en, zo ja, of het niet een bestaan met zware beperkingen te wachten staat.

Extreme prematuren zijn eigenlijk nog niet klaar om te leven, want hoewel alles er al op en aan zit – oortjes, teentjes, een kloppend hartje, een setje longen – is nog niks echt af. Alle organen zouden eigenlijk nog rustig moeten groeien en rijpen in de beschutte omgeving van de baarmoeder. Maar door steeds betere behandelmethoden kunnen artsen vroeggeborenen steeds vaker in leven houden en ernstige handicaps voorkomen. Daarom is de leeftijdsgrens waarop te vroeg geboren baby’s medisch behandeld worden in de loop van de jaren beetje bij beetje naar beneden bijgesteld: in 2005 ging de grens van 26 naar 25 zwangerschapsweken en in 2011 naar 24 weken.

baby in couveuse

Longschade

Hoe overleeft zo’n vroeggeborene buiten de baarmoeder? Het is een leerproces, niet alleen voor de baby, maar vooral ook voor de artsen die hen behandelen. Het begint al bij de eerste ademhaling. Anton van Kaam, neonatoloog aan het amc in Amsterdam, verbaast zich er wel eens over dat zo’n klein mensje het meteen op een krijsen kan zetten. Maar vaker, zegt hij, komt de ademhaling niet zomaar uit zichzelf op gang. ‘Prematuren hebben in het begin vaak last met ademen, omdat hun longen nog gevuld zijn met vocht dat ze er zelf moeilijk uitkrijgen. Vroeger leerden we dat de zuurstofsaturatie van het bloed zo snel mogelijk op honderd procent moest komen en daarom hielpen wij de patiëntjes een handje door met hoge druk pure zuurstof naar binnen te blazen. Achteraf gezien heeft dat in veel gevallen meer kwaad gedaan dan goed.’

Naast de longschade die soms ontstond door de hoge druk in de longen bleek de hoge dosis zuurstof juist schade aan te richten in het lijfje van de vroeggeborene. In de baarmoeder is de foetus gewend aan een saturatie van maar vijftig of zestig procent. Als het zuurstofgehalte plotseling stijgt, kunnen de cellen het overschot aan zuurstofradicalen niet verwijderen, waardoor ze vergiftigd raken. ‘Het is gebleken dat veel vroeggeborenen hierdoor blind zijn geworden. Maar ook de hersenen, darmen en longen kunnen door een teveel aan zuurstof worden aangetast.’ Tegenwoordig laten neonatologen de pasgeborene zoveel mogelijk zelf het werk doen en geven ze alleen lichte ondersteuning bij het ademen.

Als de ademhaling en de hartslag eenmaal op gang zijn gekomen, is het vervolgens nog een hele kunst om een vroeggeborene te voeden. Want de darmen zijn er nog niet klaar voor om voedsel te verwerken. Een prematuur krijgt daarom via een infuus een mengsel van eiwitten, vetten en koolhydraten direct in een ader gedruppeld.  Maar alleen een infuus is niet genoeg, want de baby moet ook iets in zijn maag krijgen. In de baarmoeder kreeg het nog wel eens een slok vruchtwater binnen, maar nu blijft de maag leeg. En daar kan de maag last van krijgen, vertelt Willem de Vries, neonatoloog aan het umc in Utrecht. ‘Daarom geven we de prematuren via een sonde hele kleine beetjes moedermelk: in het begin aan de hele kleine prematuren zes keer per dag een halve milliliter.’ Bovendien kunnen de darmen zo beetje bij beetje wennen aan hun taak: het verwerken van voedsel.

couveuse

Worstelen

Ondanks de intensieve behandeling overleeft de helft van de kinderen die met 24 weken geboren worden de eerste weken niet. Ze sterven aan een hersenbloeding, aan hartfalen of aan een infectie. Van de andere helft krijgt 25 tot dertig procent te kampen met een zware handicap. Artsen en ouders worstelen daardoor steeds opnieuw met de vraag wat het beste is voor het kind: doorgaan met behandelen of stoppen? Moet je bijvoorbeeld een pasgeboren 24-weker die niet uit zichzelf begin te ademen en er slapjes bij hangt niet liever zachtjes laten sterven? Een lastige kwestie, zegt Van Kaam: ‘Soms doen die kindjes het uiteindelijk hartstikke goed. Jaren geleden had ik een patiëntje dat een heel trage hartslag had. We probeerden het hartje op gang te krijgen, maar na tien minuten was ik ervan overtuigd dat het niet zou lukken. Maar net toen we ermee wilden stoppen, steeg de hartslag. Vanaf dat moment ging de behandeling vlekkeloos. Ze is nu een gezonde meid van een jaar of acht. Maar omgekeerd kan ook: dat een kindje het aanvankelijk prima lijkt te doen, maar uiteindelijk zwaar lichamelijk of mentaal gehandicapt blijkt te zijn.’

Hoe vroeger een kind geboren wordt, hoe groter het risico op ernstig lijden. Toch beginnen artsen in bijvoorbeeld Japan al met behandelen na 22 zwangerschapsweken, wanneer de overlevingskans heel erg laag is. Dat vinden Nederlandse neonatologen te ver gaan. Anton van Kaam: ‘Zo’n behandeling is voor een kind alles behalve comfortabel. Dat mag je een kind niet aandoen als er geen grote kans op overleven is.’ Willem de Vries is het met hem eens: ‘We moeten niet alles doen wat kan. Als arts moet je altijd de vraag stellen: is wat we doen wel eerlijk naar de patiënt?’

Frühstart Leben 
maandag 19 december 2016, Arte, 23.25-0.40 uur