Nieuwsbrief

Blijf wekelijks op de hoogte van het beste uit De Kennis van Nu en het laatste nieuws!

MELD JE AAN
Robbert Dijkgraaf

Robbert Dijkgraaf, befaamd natuurkundige, president van de KNAW en voorzitter van de raad van bestuur van de VPRO, vertrekt binnenkort naar de Verenigde Staten. Een mooi moment om het eens met hem te hebben over wetenschap op de Nederlandse televisie.

Muren die bekleed zijn met damast. Koperen kroonluchters aan een plafond vol houtsnijwerk en klassieke schilderingen. En in het midden van de kamer een massieve, ovale tafel van donker hout. Aan het hoofd van die tafel zit de misschien wel beroemdste wetenschapper van ons land: Robbert Dijkgraaf. Hij is theoretisch natuurkundige, president van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen, universiteitshoogleraar aan de Universiteit van Amsterdam, zit in allerlei raden en besturen (waaronder de raad van bestuur van de VPRO), en is bovendien nooit te beroerd voor een mediaoptreden. Maar deze zomer houdt dit alles op. Dijkgraaf vertrekt naar de Verenigde Staten om directeur te worden van het prestigieuze Institute for Advanced Study in Princeton. Tijdens dit afscheidsinterview in zijn chique werkkamer in het Amsterdamse Trippenhuis vertelt Dijkgraaf – in pak, maar zonder stropdas – vriendelijk, rustig maar gloedvol over een van zijn grote passies: wetenschap overbrengen aan het grote publiek.

U bent een groot voorstander van wetenschapscommunicatie. Waarom is dit zo belangrijk?

‘Daar zijn veel redenen voor te noemen. De belangrijkste is denk ik dat wetenschappelijke kennis in enorm sterke mate ons leven beïnvloedt. Kijk bijvoorbeeld naar de gezondheidszorg, of alle moderne communicatietechnologieën. Om het leven aan te kunnen, en om beslissingen te kunnen nemen, zijn begrip van wetenschap en kennis van zaken denk ik heel belangrijk. En er is een culturele dimensie. Ik zeg vaak: als je een stad binnenrijdt is daar altijd zo’n bord, met daarop een kaart, en met een pijl: “hier bevindt u zich”. Dat is eigenlijk ook de rol van de wetenschap. Hier bevindt u zich. Dit is de wereld om u heen. En u bent onderdeel van die wereld. Van de natuur, maar ook van wat de mensheid met elkaar bedenkt, van het gedachtegoed. Van de geschiedenis en van de toekomst. En het hoort bij een waardevol leven dat je daar kennis van neemt.’

Ik wil het vandaag met u hebben over wetenschap op televisie. Misschien een wat flauwe vraag; maar hoort wetenschap daar wel thuis?


‘Ja, dat denk ik wel. Het is opvallend dat er vanaf het begin van de moderne wetenschap altijd al pogingen zijn geweest de wetenschap met het publiek te delen. Ik denk dat dit voortkomt uit de wens om het eigen avontuur dat je als wetenschapper meemaakt door die kennis tot je te nemen, aan anderen over te brengen. En het leuke van moderne technologie is dat er tegenwoordig zo veel manieren zijn om die kennis te delen. Televisie is denk ik een mooi kanaal daarvoor. Als ik naar mijn eigen ervaringen kijk, zie ik dat sommige televisieprogramma’s een grote impact hebben gehad. Bijna al mijn collega’s hebben bijvoorbeeld in de jaren ’70 hetzelfde televisieprogramma gezien. Het ging om een show van een uur over deeltjesfysica en zwarte gaten, en daarin zagen we voor het eerst grote wetenschappers als Stephen Hawking en Gerard ’t Hooft. Mensen die je dan later in je carrière weer tegenkomt. Dan denk je: het is eigenlijk wel heel treffend dat ik deze mensen op televisie voor het eerst zag.’

Televisie heeft meer impact dan andere media?

‘Het heeft een andere impact. En het verbindt. Ik denk dat het geen toeval is dat al die collega’s van mij, en ikzelf ook, ons dat ene televisieprogramma herinneren. Waarschijnlijk zouden we zoiets veel minder hebben met een boek dat we allemaal hebben gelezen. Of met een krantenartikel.’

Wat zou het doel moeten zijn van wetenschap op televisie? Moet het informeren? Inspireren? Dienen ter vermaak?

‘Alle drie, denk ik, maar in een goede mix. Vermaak heeft wat mij betreft de laagste prioriteit. Er geldt een soort vanzelfsprekendheid dat als iets op televisie komt, dat het dan vermaak moet zijn. Dus worden dingen bijvoorbeeld in de vorm van een spelletjesprogramma gegoten.’

Op zenders als Discovery Channel hebben wetenschapsprogramma’s ook vaak een hoge, ik noem het maar "explosiefactor". Dragen de spelletjesprogramma’s en shows als deze wel bij aan het begrip voor wetenschap?


‘Ik zie zulke programma’s als een weg daarnaartoe. In de begintijd van de moderne wetenschap zag je ook dat mensen in huiskamers demonstraties gingen geven met elektriciteit, met licht, met projecties. Het waren een soort shows, die draaiden om het zichtbaar maken van de verwondering voor de natuur. Iedereen die een verhaal vertelt gebruikt in zekere zin showelementen. Alleen moet je daar niet in blijven hangen, denk ik. Mensen die naar dit soort televisieprogramma’s kijken zijn op een gegeven moment hooked. Je hebt ze aan de haak geslagen, ze denken mee: “hoe loopt het af?”, “kun je met deze explosie echt een tank uit elkaar krijgen?”. Dat is prachtig. Dan heb je je publiek te pakken. Ze zitten aan je vast, en op zo’n moment kun je ze als het ware heel voorzichtig gaan bewegen, en de mensen wat meer informatie toedienen. Maar je moet wel oppassen dat het touwtje niet breekt. Ik heb ooit op televisie een proefje laten zien met een baksteen en een touwtje. Hoe trek je die baksteen voort? Je kunt heel hard trekken, maar dan hou je het touwtje in je hand. Dan ligt die baksteen daar; oftewel, dan ben je je kijkers kwijt. Maar als je te zacht trekt, gebeurt er ook niets. Ergens ligt een optimum. Maar je moet je wel realiseren dat het touwtje erg dun is. Zeker tegenwoordig, met de zapper in de hand.’

Er zijn ook serieuzere wetenschapsprogramma’s op televisie. Maar die trekken, in vergelijking met populaire shows, een vrij beperkt publiek. Is dat erg?

‘Ik denk in principe van niet. Ik heb ooit in een column een soort wet van de wetenschapscommunicatie geformuleerd. Die zei: de maat zou moeten zijn, het aantal mensen dat iets ziet keer de hoeveelheid informatie die je per persoon hebt overgebracht. Het product van die twee geeft je de impact. Een minuut wetenschap in het achtuurjournaal telt, vanwege de miljoenen mensen die dit zien. Maar een inhoudelijk programma van een half uur, dat wordt gezien door een paar honderdduizend mensen, is vanuit deze wet bekeken even waardevol. Ik denk dat we ook eerlijk moeten zijn dat er bij veel wetenschappelijke onderwerpen, als je echt de diepte in wil, toch een zekere achtergrondkennis nodig is bij het publiek. Je kunt het niet van scratch opbouwen. Het is verder denk ik ook lastig om wetenschap in de serieuze nieuwsrubrieken en actualiteitenrubrieken inhoudelijk uit te lichten. Omdat er daar vaak toch een politieke draai aan dingen wordt gegeven. Of er wordt gezocht naar controverse. Bovendien worden onderwerpen in zulke programma’s heel erg aan de actualiteit opgehangen; het moet vandáág gebeuren. Maar wetenschappelijke vooruitgang vindt vrij sluipend plaats. Het is daarom niet vanzelfsprekend dat wetenschap in die mix zit. Het zit bij wijze van spreken wel in de bijlage van een serieuze krant, of in een mooie documentaire die ’s avonds laat wordt uitgezonden, maar…’

…maar je ziet het niet in het journaal, of bij Pauw en Witteman.

‘Nee hè. Nee, niet op een vanzelfsprekende manier. Wetenschap gaat bijna per definitie over verdieping. We kunnen nu bijvoorbeeld vijftig jaar terugkijken, en zeggen: goh, toen stonden we eigenlijk aan de vooravond van de moleculaire kennis over ons lichaam. Dat we die ontwikkeling hebben doorgemaakt, laat ieder bezoek aan een ziekenhuis zien. Maar wanneer is het precies geweest? Wat was nou de dag dat we dit of dat konden? Je kunt soms kunstmatige nieuwsmomenten creëren, zoals ‘vandaag is de ontrafeling van het humane genoom klaar’. Maar eigenlijk bestaat er in de wetenschap geen concrete actualiteit. Het is juist belangrijk om de big picture te laten zien. Er zijn denk ik ook echt wel mensen die geïnteresseerd zijn in dat grotere verhaal. Dus het is heel belangrijk dat daar in het ritme van de media ook plaats voor is.’

Als mensen meer achtergrondinformatie over een onderwerp willen, kunnen zij dat tegenwoordig toch ook gewoon zelf opzoeken op internet?

‘Ja. Maar daar verdwaal je makkelijk. Het valt mij altijd enorm tegen hoe moeilijk het is om via het internet gedegen wetenschappelijke kennis te vinden. Ik zie dat ook bij studenten en middelbare schoolleerlingen. Er zit een enorme kloof tussen webpagina’s waar je een paar alinea’s over een onderwerp vindt, of een wikipedia-pagina, en de echte wetenschappelijke literatuur. De informatie is ook sterk gefragmenteerd. En er is veel misinformatie. Iedereen schrijft alles maar van elkaar over. Je bent geneigd te denken dat de frequentie waarmee je iets ziet op internet iets te maken heeft met het waarheidsgehalte, terwijl soms het omgekeerde waar is. Er zijn daarom intermediairs nodig, die je langs de informatie leiden. En daar spelen de media een hele belangrijke rol. Iedereen die wel eens een documentaire of een groot overzichtsartikel voor een krant heeft gemaakt, weet hoe ontzettend veel werk het is om al die informatie bij elkaar te zoeken en op de juiste manier te verbinden. Soms kan de wetenschap zelf die kloof met het publiek overbruggen. Maar niet alle wetenschappers zijn hier even goed in. En het blijft toch lastig om helemaal aan de overkant van die kloof te komen. Dus heb je hulp nodig, van redacteuren en journalisten, die het publiek langs het pad van de wetenschap kunnen leiden.’

Hoe vindt u dat de Nederlandse televisiewereld het doet, qua wetenschap, in vergelijking tot het buitenland?

‘Ik zou een beetje een gemengd rapportcijfer geven. Nederland is niet zo’n heel serieus land. Ik bedoel, dat zie je als je een Franse of Duitse krant pakt, of een BBC documentaire kijkt. Dan denk je: goh, daar worden dingen echt serieus aangepakt. In Nederland hebben we denk ik de neiging om wat oppervlakkig te zijn. Maar er is de laatste jaren wel veel verbeterd. Het lijkt erop dat we een beetje aan het bijkrabbelen zijn in de richting van serieuze achtergrondinformatie. Verder denk ik wel dat Nederlandse televisie heel innovatief is. Het experimentele karakter, het bedenken van nieuwe formats, daar zijn wij wel goed in. Kijk bijvoorbeeld naar een programma als de Nationale Wetenschapsquiz, zoiets bestaat volgens mij in het buitenland land niet. En het Beagle-project was natuurlijk eigenlijk ook van een krankzinnig ambitie.’

Wetenschap lijkt in ons land vooral iets van de publieke omroep. Ziet u hier ook een rol weggelegd voor de commerciële omroepen?

‘Ik denk dat wetenschap hét argument is om te pleiten voor een sterke publieke omroep. We kunnen gewoon proefondervindelijk vaststellen dat communicatie over wetenschap geen taak is die je met heel veel vertrouwen bij de commerciële omroep zou willen neerleggen. Ik kan me wel voorstellen dat het interessant kan zijn om met een commerciële blik naar de wetenschap te kijken. Kijk ook naar wat de commerciëlen doen op het vlak van nieuwsgaring en actualiteit, daar komen ze toch met interessante resultaten. Ik weet te weinig van het internationale televisielandschap om te zien wat commerciële partijen in andere landen doen. Maar ik weet wel dat als je bijvoorbeeld kijkt naar de Verenigde Staten, dat de publieke omroep, ondanks dat deze heel klein is, ook daar het leeuwendeel van de last van de wetenschap draagt. Zeker als het gaat over serieuze documentaires.’

Tot slot: als u zelf een programma over wetenschap zou mogen maken, hoe zou dit er dan uit zien?

‘Ik zou me het best thuis voelen bij een televisieprogramma dat heel dicht komt bij waar de wetenschap zelf over gaat, namelijk de zoektocht naar kennis. Ik ervaar de wetenschap zelf als een ontdekkingsreis. Voor die reis hoef je niet per se zeeziek te worden op een schip. Je kunt hem ook afleggen via boeken, via gesprekken, via objecten die je vasthoudt. Dat is denk ik het mooiste, als je als maker zelf door dat hele proces heen gaat, en je kijkers meevoert langs de ontdekkingsreis.’